Orde op de borde

| Geen reacties

Eten is een dagelijks en alledaags fenomeen. Ik zou willen weten hoeveel procent van onze denktijd aan eten wordt besteed.
Reclame appelleert voortdurend aan onze lekkere trek, we denken na over welke boodschappen we zullen halen, bepalen waar we onze boterham mee willen beleggen, kijken naar tv programma’s waar van alles op tafel verschijnt en waaraan zelfs het welslagen van nieuwe relaties wordt gekoppeld. Onze leukste en meest chique afspraken worden belegd in een restaurant naar keuze en draagvermogen. Ik heb bovendien een moestuin waar ik voedsel verbouw en het gesprek met collega mini tuinders geregeld op eten terecht komt. Mijn ouders en hun generatiegenoten spraken over de Hongerwinter van 44-45 om ons kinderen te wijzen op de morele plicht  ons bord met gore Brinta leeg te eten. Op grond van een of ander posttraumatisch syndroom verdraag ik de aanblik niet van voedsel op een metalen bord. Ik krijg ter plekke een prop van afkeer in mijn keel.
Eten. Altijd maar weer eten.

Boodschappen doe ik geregeld en in verschillende supermarkten. Ik ga hier geen reclame maken voor een bepaalde winkel. Dat doen ze namelijk zelf genoeg. Ik kom overal, om het samen te vatten.
In Nederland zijn de supers goed te doen qua omvang. Als je eenmaal zicht hebt op indeling en assortiment, kan een kind de was doen. In grotere landen als Frankrijk of Italië heb je mammoetzaken, complete centra onder eenzelfde dak. Bij Lecler of Esselunga rijzen ware muren op van blikken, flessen en dozen, afgewisseld met massieve stellingen non-food, van schotel teevees tot sportsokken, van fietsen tot boormachines. Er komt geen einde aan. Het is de ultieme wereld van de consumptie. In combinatie met aanhoudende snertmuzak, te pas en te onpas onderbroken door zinloze mededelingen, ontwikkel ik hier al snel een vorm van lethargie, gebaseerd op een hardnekkige onwil. Het boodschappen doen wordt aldus een krachtmeting met de commerciële vloedgolf.  Einmal in, Alles drin! roepen ze in Duitse supers om. Het eindigt ermee dat ik woedend en uitgeput, murw gebeukt en zonder notie van mijn inkopen bij de kassa verschijn.

Ik heb vreemde gedragingen aangaande voedsel. Zo word ik buitengewoon nerveus als de koelkast lege plekken begint te tonen. Gebrek aan voedsel is een gedachte die paniek in me oproept. Misschien heeft dit te maken met een verleden van monotone voeding, steenpuisten en de verplichte inname van walvistraan uit een fles met een zeilschip op het label. Zeker is dat ik na vertrek uit het ouderlijk huis een periode heb gekend van zodanig geldgebrek en beroerde condities dat ik eten begon te stelen uit winkels en zelfs van het bouwland.

Altijd koop ik teveel brood. Kaas en vleeswaren belanden in de vuilbak omdat ik aan opeten niet toekom. Dit is een gevolg van bovenmatige inkoop, maar ook van de neiging om het eten van lekkere dingen uit te stellen, het voedsel te bewaren. Als het mogelijk was, legde ik een privé silo aan, een ondergronds hol. Het vermogen tot oneindig bewaren zou mij tevens in staat stellen nog eens de warme prak van een halve eeuw geleden te kunnen proeven. Of het knipbrood van de inmiddels allang Koude Bakker.

Eenmaal aan tafel, zet het merkwaardige gedrag zich voort. De componenten van een warme maaltijd dienen strikt gescheiden van elkaar te liggen. Dus niet zomaar een kwak andijvie over de piepers. Gaandeweg het eten begin ik me af te vragen of ik van plan ben het bord helemaal leeg te maken. De onderliggende vraag is of ik eigenlijk nog wel trek heb. In ieder geval moet besloten worden in welke volgorde het voedsel naar binnen gewerkt zal worden. Wat bewaar je voor het laatst en waarom? Als iets erg lekker is, voel ik (alweer) aandrang dit te bewaren voor later. Het vooruitzicht op iets lekkers heeft meer belang dan het opeten zelf. Gewoonlijk eindig ik met de groente, een keuze die het probleem als het ware neutraliseert. Een droge aardappel is voor mij geen optie als laatste hap en eindigen met de gebakken schol geeft me de indruk dat mijn laatste maaltijd er op zit.

Honger is de beste saus, zei Socrates en een collega van de moestuin vertrouwde mij toe dat hij het meest van eten geniet  wanneer hij thuis uit de pan kan snaaien. De man is de 70 gepasseerd, maar bij deze mededeling glom hij als een ondeugend jongetje. Om zijn vertrouwelijkheid te belonen, vertelde ik hem dat ik als kind begon te snoepen van een door moeder vers gebakken cake. Nadat ik een stuk van de heerlijke korst had opgepeuzeld en mijn ergste begeerte gestild was, viel me in dat de ontstane schade zou opvallen en tot lastige vragen zou leiden. Hierop besloot ik de gehele bovenkant van de cake te egaliseren en op te eten, waarmee ik natuurlijk pas echt in de problemen kwam.
Ik vertelde er niet bij dat mijn besluit ook iets te maken moet hebben gehad met mijn dringende gevoel voor orde. Nog onlangs at ik veel te lang door in de vanillekwark, puur om een ordelijk restant in de koelkast te kunnen terugplaatsen.

Monk heeft altijd een missie, ook wanneer het een doordeweekse maaltijd
betreft.

 

Monk

1 april 2012

(foto: Monk)

Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.