
Het jaar is 1968, op de scheiding van juli en augustus. Er hangt verandering in de lucht, maar hiervan ben ik me nauwelijks bewust. Op 16-jarige leeftijd heb ik geen idee wat de wereld en mij wacht. Wel staat de jeugd van tegenwoordig geregeld ter discussie. Hippies slapen op de Dam, in het centrum van de hoofdstad. Lang haar verovert zelfs de hoofden van gewone jongens. Ik woon in een uithoek van de polder. Hier waait de wind en wacht het werk.
Wat doe ik in de zomer van 1968? Het antwoord staat op het erf in de zon te glimmen: een peperdure tweedehands Zündapp C50, model 517. Deze is aangeschaft na weken zaniken en dreigen van mijn kant. Na de vakantie moet ik naar een nieuwe school en die ligt op 18 kilometer afstand. Ik ben niet van plan te gaan fietsen. Vader is het gekrakeel zat en koopt letterlijk de eerste de beste brommer die in een lokaal krantje opduikt. De machine moet worden terugverdiend op het land bij Vader. Ik maak werkweken van 60-70 uren, bij uitzondering ingekort door een regenbui. De zomer duurt schier oneindig, want ik heb al in mei eindexamen gedaan voor de mulo. Ergens in augustus moet ik naar de nieuwe school. Ik heb geen idee waar het gebouw staat en ik ken niemand in de stad.
Tijdens de eentonige arbeid overdag verheug ik me in mijn stalen ros. ‘s Avonds luister ik in isolement naar Veronica en andere zogeheten Piratenzenders. In huis mag de radio niet zomaar aan. Zelf er een kopen, mag evenmin. Waar een wil is, komt een uitweg. Een half jaar eerder heb ik een transistorradio gestolen uit een winkel. Ingeval mijn ouders hier weet van krijgen, zwaait er wat. Het is niet ondenkbaar dat dit mij alsnog de brommer zal kosten. Dan moet ik alsnog met de fiets naar de nieuwe school en dat is het laatste wat ik wil. Gepokt en gemazeld in zwijgen en zwetsen, lukt het me de radio verborgen te houden tot zich een moment voordoet ze te legaliseren. In de zomer van 1968 kan ik luisteren naar wat ik wil, op voorwaarde dat niemand in huis er last van heeft. Ik leef in parallelle werelden.
Het is een jaar met gewelddadige gebeurtenissen op het wereldtoneel. Parijs en Berlijn zijn het decor van serieuze rellen tegen het gezag. Achter het IJzeren Gordijn breekt de Praagse Lente uit. De Tsjechen eisen meer vrijheid. Een opstand wordt met geweld door Russische tanks neergeslagen. Boven Vietnam verliezen de Amerikanen hun 10.000 e vliegtuig. Het is nauwelijks te bevatten. Maar er is ook goed nieuws. Jan Janssen wint de Tour de France. Mij laat het koud, maar de natie is verrukt. Rotterdam neemt de eerste metro in gebruik. Dit klinkt alsof het in New York is. Ik was nooit in Rotterdam. Erger is, dat we thuis geen tv hebben. Moeder is ertegen en in huis maakt zij de dienst uit. Met vader kijk ik soms een voetbalwedstrijd bij de werkman, buren, bij opa of oom Rijn. Dit is even absurd als ontspannen. Moeder handhaaft haar domeinrechten waarin alleen plaats is voor wat ze zelf heeft bedacht.
De Top 40 van Veronica, clandestiene zender op de Noordzee, is een belangrijke leidraad voor wat muzikaal komt en gaat. Er bestaan meer ranglijsten, zoals The American Hot One Hundred, waar vaker soul in langskomt. Soul is muziek van zwarte mensen en met mijn 16 jaren heb ik nog nooit een neger in het echt gezien. Dit woord is destijds in Nederland geen scheldwoord; niemand spreekt van een zwarte. Ik vind soul wel leuk, maar hecht meer aan wat Britse Pop wordt genoemd. Deze vindt in Nederland veel navolging. Iedere jongere met een beetje smaak kent Cuby, Q65, The Bintangs en Golden Earring. Er zijn vaak optredens, platen zijn te koop in speciale winkels en bij V&D. Elke week is er een verse Muziek Express, al ken ik alleen oude exemplaren die ik toevallig in handen krijg..
In de Top 40 van juli 1968 staat op 1 Heintje: Ich bau dir ein Schloss. Ik vind alles wat hij zingt een verschrikking. Lichtelijk jaloers op Heintje word ik een paar jaar later. Een krantenfoto toont hem met een splinternieuwe Zündapp. Deze krijgt hij van zijn manager voor de kleverige liedjes, dan nog vaak gezongen in de Duitse taal. Een beetje zingen en hiervoor applaus en geld ophalen, klinkt een stuk makkelijker dan wekenlang rondkruipen over een aardappelveld. Zo te denken, karakteriseert mensen die het niet breed hebben maar wel ambities koesteren, denken dat ze beter zijn dan wat ze elke dag moeten doen.
Op plek 3 prijken de Rolling Stones met Jumpin’ Jack Flash. Op een of andere manier bemachtig ik de single. Afspelen van eigen muziek in huis is verboden. Dit voelt temeer als een kwelling, waar in de woonkamer een draaitafel staat. Deze is evenwel exclusief gereserveerd voor de klassieke muziek van Moeder. Dus moet ik geduld oefenen, eindeloos geduld, tot Moeder eens een middag opkrast. In dit starre huishouden op windkracht 8 de Stones draaien, klinkt als ongestraft vloeken in de kerk.
Op nummer 11 staan de Small Faces, de geweldige band van Steve Marriot: Lazy sunday afternoon, I got no mind to worry, I close my eyes and drift away. Na 4 jaar mulo begrijp ik dat allemaal wel. Lekker een beetje wegdrijven in eigen gedachten, doe ik geregeld.
Op plek 13 vinden we de fraaie eendagsvlinder I can’t let Maggie go van The Honeybus. Met die fagot erbij, zou het zelfs genade kunnen vinden bij Moeder. Denk ik terloops.
Wat opvalt, is de verscheidenheid in de muziek. Deze vormt een palet van stijlen, ritmes en smaken. Het heeft allemaal bestaansrecht.
Alles bijeen ervaar ik de lawine aan Engelstalige popmuziek gedurende de tweede helft van de jaren ’60 als niet minder dan een wonder. Voor die tijd kende ik alleen opera, kerkmuziek en domme liedjes in de eigen taal. Met terugwerkende kracht wil ik zelfs beweren, dat de uitbarsting van popmuziek de kracht toont van een atoombom. Tot op de dag van vandaag zijn de betere bands uit de sixties nog altijd relevant.
In 1968 heb ik geen idee wat ik wil worden en er wordt evenmin naar gevraagd. Ik ben voor de mulo geslaagd met de beste cijfers van mijn klas, maar wat moet je ermee? Met Vader ga ik naar de middelbare landbouwschool in Hoorn. De directeur bekijkt de uitslag en zegt dat ik beter kan doorstuderen. In een agrarische opleiding ziet hij geen heil: de toekomst is aan grote bedrijven en dan heb je veel geld nodig. Eenmaal thuis, veert Moeder op bij dit bericht. Zij heeft altijd geweten dat haar zoon de hersens heeft om het ver te schoppen. Een oud idee wordt van stal gehaald: het hbs diploma.
Voorlopig word ik elke werkdag om half 6 uit bed gehaald om op het land te werken. Ik leef van dag naar dag, in mijn gesloten habitat. Dat deze zomer de laatste zal zijn voor het bedrijf van mijn ouders, is onvoorstelbaar. Precies dit staat evenwel te gebeuren en hiermee komt mijn wereld op de kop te staan.
Enige maanden na de lange zomer, met de bloembollen voor het komende jaar al in de grond, slaat de Man met de Hamer toe. Tijdens een broodmaaltijd rond het middaguur krijgen we van Vader te horen dat hij een baan bij de lokale gemeente heeft aangenomen (voldongen feit), dat het bedrijf verkocht wordt en dat we gaan verhuizen naar het dorp. Dit laatste is een middeleeuwse eis van de nieuwe werkgever. In zijn functie van gemeentebode dient Vader oproepbaar te zijn – als een hond. Mijn oudere zus en ik slaan steil achterover. Wij hebben immers geen bedrijf, maar zijn het bedrijf. Ook mijn zus heeft haar halve jonge leven meegewerkt. Dooreten heeft even geen betekenis meer. Wie wil er in godsnaam zoiets als een baan, een baas? Welke plattelander is bereid land en erf te verlaten? De rest van de dag kan en wil ik nergens over praten. In mijn slaapkamer sta ik sprakeloos uit te kijken over een verloren land.
Het bericht voelt als verraad; daar helpt geen rationeel redeneren tegen. Vader kan zijn redenen hebben, wat mij betreft, ligt hier het kantelpunt van zijn autoriteit. Heel snel zal blijken, dat ik me weinig meer laat zeggen. De sfeer in huis keldert. Bij vlagen voel ik zelfs minachting opkomen. Moeder krijgt geregeld een snauw van mij. Desondanks zal het me naderhand verwonderen hoe sterk mijn loyaliteit is. Ik zal bovendien nog jaren denken, dat Vader de handdoek in de ring wierp omdat het hem aan een opvolger ontbreekt. Ofwel: de ondergang is uiteindelijk mijn schuld. Pas een halve eeuw later, als beide ouders dood zijn, zal ik aanwijzingen vinden dat het anders ligt, dat Vader al eerder langsging bij het Arbeidsbureau om zich te laten testen. Ook solliciteert hij (vergeefs) als buschauffeur. De uitgaven voor deze escapades zijn nauwkeurig genoteerd in de huishoudboekjes van Moeder.
Verkoop en verhuizing laten op zich wachten. Eerst moet het nieuwe huis gebouwd worden. Uiteindelijk worden bedrijf met opstallen aangeboden in de krant, dezelfde als waar mijn brommer in stond. De bloembollen worden op het veld verkocht. Buren rijden de werktuigen van het erf.
De nieuwe eigenaar is een fatje uit de stad. Hij wil alvast zijn twee verdomde paarden in de schuur stallen en ik ben de gek die de dieren gedurende de winter zal voeren. Wel neem ik voortaan mijn transistorradio overal mee naartoe. Vader is nu toch de hele dag van huis, dus Moeder moet haar klachten over mijn eigengereidheid opsparen. Ik weet dat Vader geen zin heeft er naar te luisteren. Of hij vreest de confrontatie, want mijn gezicht spreekt boekdelen.
De nieuwe school biedt een combinatie van oud onderwijs (middelbare handelsdagschool en hogere burgerschool) met de nieuwe havo van de Mammoetwet. Ook de school toont de drempel waarop we staan. Ik beland in het afstervende deel, want het oude onderwijs is onmiskenbaar degelijker dan het nieuwe. Met een havo diploma kan je niet naar de universiteit. Dit even redelijk klinkende argument als onzinnige streven zal tot flinke problemen leiden.
Mijn nieuwe klasgenoten zijn grotendeels vrijgestelde stadsbewoners. Ze hebben geen permanente geldzorgen en winkelen op hun gemak in de stad. Voor een enkele onder hen ben ik penis agraricus, de boerenlul in door Moeder gemaakte kleding.
Zo voel ik het ook zelf, maar wat kan ik anders dan volhouden? Mijn danse macabre gaat beginnen.
Monk, 3 augustus 2025
Foto: Monk