BLINDGANGER, Hoofdstuk IX

| Geen reacties

De Italiaanse dictator Mussolini meldde met trots, dat hij de treinen op tijd deed rijden. Hierover wordt nog steeds lacherig gedaan. Onterecht, want in een straatarm en chaotisch land is het een formidabele prestatie. Orde en regelmaat geven de samenleving structuur en het leven zin. Neem nou de Hollandse postbode. De man stond elke dag precies om half twaalf bij de brievenbus van de Zwarthoeden. Is dat niet wonderbaarlijk en bemoedigend? Arnold raapte de poststukken op. In de keuken ritste hij een mes langs de bovenzijde van een envelop en onthulde een mededeling.

Je denkt zeker dat je ermee weg komt.

Het stond er in een houterig handschrift. Een dreigement zonder afzender. Dit is wat een strak georganiseerde maatschappij de mensen brengt. Wat te doen? Voorlopig had Arnold iets anders aan zijn hoofd.
Een beetje verontrust ging hij naar zijn kamer. Hier trok hij de beste kleding aan die in de kast hing. Een linnen jasje. Een zwarte katoenen broek met metalen koppel. Een wit T shirt. Amerikaanse laarzen waarin de broekspijpen konden verdwijnen als bij een ruiter. Hij keek in de spiegel en vond zichzelf belachelijk.
Een clown als cowboy verkleed.
Na alsnog gewone kleren te hebben aangetrokken, werkte hij het ritueel af van geld, sigaretten, aansteker en pennenmes. Hij waste, poetste en trok een kam door zijn haar. Zo moest het genoeg zijn. De BMW brulde beschaafd. De pluchen bekleding was een beetje warm, aanleiding om het schuifdak een stukje te openen.
Vrijdagavond. De brief van onbekende herkomst legde hij in het handschoenenkastje.

Hij nam een andere route als gewoonlijk. Zo meed hij de plek waar het leegstaande boerenhuis stond waarover de nodige woorden met zijn vader waren gevallen. De afspraak om in de garage te komen werken en aankoop van het woonhuis goed te keuren, toonde kenmerken van chantage. Het leek erop dat Pa Zwarthoed hoopte Arnold aan zich te binden en tegelijk Trudie een onderkomen te verschaffen. Zij was immers graag bij haar broer. Zo had Pa Zwarthoed thuis meer vrijheid met zijn nieuwe vriendin. Van zijn kant maakte Arnold geen haast om volle werktijden voor de garage te maken. Hij tekende in op een cursus publieke relaties, maar deze begon pas in de herfst. De lieve vrede hangt aaneen van duistere verlangens en praktische oplossingen.

Vanaf de westzijde enterde hij de stad. Het oponthoud werd veroorzaakt door een koopavond. Winkeliers mochten hun toko tot tien uur in de avond open houden, waar gewoonlijk de boel om zes uur op slot moest. Aan de drukte op straat was te merken dat er veel belangstelling voor de extra openstelling bestond. Er had zich een flinke file gevormd. Arnold stond vast en sufte wat voor zich uit. Wie liep daar? Hij wentelde het rijraam omlaag.
“Gerben!”
Gerben was te voet en alleen.
“Stap even in. Praten we wat”.
In de spiegel zag hij zijn voormalige schoolmakker achter de auto omlopen. Vijf minuten moesten volstaan.
“Tjonge!”
Gerben zat naast hem. Hij keek verwonderd rond en zette een boodschappentas tussen zijn benen.
“Ja, het leven is te kort om in een Skoda rond te rijden. Hoe gaat het?”
“Ik wil je niet vervelen met mijn medisch dossier”.
Arnold zweeg. Hij presenteerde een Craven en zag de jaloezie. Dit stak hem.
“Gerben, het is maar een auto. Laat je humeur nou niet verpesten.”
Ergens kostte het hem moeite dit te zeggen. Maar Gerben was snel uitgekeken.
“Ik mag geen alcohol meer. En ik wil het ook niet”.
Een mededeling die uit de lucht kwam vallen.
“Dat klinkt nogal. Voor een zuiper”.
“Alle popmuziek heb ik de deur uitgedaan. En de boeken van WF Hermans, die nihilist, ook weg!” Gerben klonk heftig.
Arnold overwoog even om door te vragen, maar dacht aan de beschikbare tijd.
Daar kwam bij, dat de verkeersstroom gaten toonde. Hij trok op en won ineens honderd meter. Dit leek Gerben niet te bevallen. Als het nog een paar keer gebeurde, kon hij het hele eind teruglopen.
“Wanneer moet jij ook alweer in dienst?”
Arnold lachte. Hij had ook alle reden om hierover vrolijk te zijn, zeker tegenover Gerben met zijn doktersattesten.
“Ik ben alsnog vrijgesteld, zeg maar uitgeloot”.
Nee, hij ging de precieze tekst van de brief niet prijsgeven. Laat staan de toelichting van zijn vader herhalen.
“Uitgeloot, zeg je? Hoe kan dat nou?”.
Verwondering op de rand van spijt sprak uit Gerbens woorden. Hij deed geen moeite zich anders voor te doen.
“Hoe krijg je dat voor elkaar?”
“Ik krijg niks voor elkaar. Ze stuurden een brief. Dat is alles”.
Gerben wierp een duistere blik uit de voorruit van de auto. De tas stond aandoenlijk tussen zijn knieën. Het moment naderde waarop hij uit de auto zou springen.
“Ik moet gaan”.
“OK. Ik spreek je binnenkort”.
Jarenlang trek je dagelijks met elkaar op. Dan ineens is het gedaan. Wat was ooit de basis van deze vriendschap?

De BMW parkeerde zichzelf voor de tuin van de villa. Het was of de auto aangaf: dit huis bevalt me wel. Arnold sprong naar buiten.
“Zo jongeman, zien we je weer eens?” Pa Filarski.
“Goedenavond. U ziet er patent uit”.
“Zon en vrije tijd”.
Barry stak Arnold een slappe hand toe.
“En regelmatig seks, ha!”
In de voordeur verscheen Jenny. Ze groette Arnold afstandelijk. Voor de tweede maal betrad hij de woning. Een ogenblik kwam het bij hem op dat hij beter met Gerben naar de film had kunnen gaan. In De Harmonie draaide immers A Clockwork Orange. Het moest een geweldige film zijn.

Pa Filarski dronk een kop koffie mee en praatte wat over kunst. Hij had oog op een schilderij van Willem de Koning.
“Wat vind jij daarvan?”
“Ik weet niets van kunst. Wat zal ik ervan vinden?”
Arnold kon niet uitmaken of de vraag was bedoeld hem als een boer weg te zetten.
“Je moet overal een mening over hebben, ook al heb je er helemaal geen verstand van”.
De opmerking werd gevolgd door een korte, honende lach.
Arnold realiseerde zich dat het gezicht van zijn gastheer iets uitstraalde. Op het eerste gezicht leek het een gezond behagen in het leven, maar Arnold proefde vooral een diepverankerde gemakzucht.
“Bezwaar als ik een uurtje je auto leen?”
Het verzoek overviel Arnold een beetje. Toch wilde hij zich niet laten kennen.
“Wat komt er voor in de plaats?”
“Zoon van een autohandelaar. Ik had het kunnen weten. In ruil daarvoor sluiten we vrede”.
Met enige tegenzin diepte Arnold zijn autosleutels op en overhandigde ze.
“En het kentekenbewijs voor als ik wordt aangehouden met die bolide”.

Jenny maakte koffie met een apparaat dat een hels geraas voortbracht.
“Iets erbij?”
“Ik eet nooit koek of gebak”.
“Mijn vader vindt jou aardig, weet je dat?”
Wat kun je daar op antwoorden?
“En jij?”
Jenny droeg een strak oranje truitje, met lange mouwen en zwarte elleboogstukken. Daarover een zwarte mouwloze jurk van een elastische stof, zwartgrijze nylons met oranje blokjes langs de buitenkant, aflopend tot in zwartlederen halfkorte laarsjes. Arnold bekeek het nauwgezet, maar begeerte bleef uit.
“Wat ik van jou vind? Daar ben ik nog niet helemaal uit.”
De koffiezetter reutelde naar een einde en siste als een slang. Arnold nam zich voor het initiatief te houden. Wel speet het hem zonder weerstand zijn wagen te hebben uitgeleend.
“Zeg Jenny, ik vraag me al langer iets af: wat doe je voor de kost?”
Het moest klinken naar belangstelling, maar de vraag straalde eerder onzekerheid uit.
“Ik werk hard en verdien weinig”.
Ze liep met de koffie naar de strakke zitbank en installeerde zich. Op tafel lag een pakje shag, merk Jacobs, een inferieur product. Onhandig draaide ze een sigaret.
“Drink je koffie, dan laat ik je het huis zien”.

Van zijn eerdere bezoek herkende hij een paar vertrekken en meubels. Echt nieuw was het dus allemaal niet. De afmetingen kwamen hem geringer voor. Zo gaan de dingen: de mens ziet wat hij denkt te zien. Bij een volgende keer blijkt lang niet alles te kloppen.
“We gaan naar de werkruimten”.
Achter het huis bleek het terrein zich voort te zetten. Er stond een gebouw dat aan geschakelde garages deed denken. Smalle ramen toonden gewapend glas.
Ze betraden de kleine hal, passeerden een deur en stonden in een corridor. Deze was in diep rood geschilderd. Kleine lampen waren weggewerkt in wanden en plafonds.
Sfeerverlichting dient om de mensen in een andere werkelijkheid te loodsen. Of mogelijk is de eigenlijke werkelijkheid die welke mensen denken te ervaren.
“Doe je schoenen even uit”.
Jenny opende de eerste deur. Zelf ontdeed ze zich van haar laarsjes.
Arnold ging op zijn sokken naar binnen.
Ze bevonden zich in een vertrek van zowat vijf bij zeven meter. Omzoomd door reflectieschermen prijkte een enorm bed, overdekt met een laken in tijgerprint. De vloerbedekking was van donkerrood marmoleum. Er hingen schotelvormige lampen. Filmapparatuur kon aan rails worden voortgetrokken. Aan de wanden prijkten erotische schilderijen en posters. Het maakte een even absurde als suffe indruk.
“Alle roddels die je over ons kent, zijn waar”.
Haar bewering klonk uitdagend, zelfs een beetje uitsloverig. Arnold zweeg. Waarom zou hij allerhande roddels over de Filarski´s kennen? Van links en rechts was hij gewaarschuwd, maar wat betekende het, wat zat erachter? Dat Jenny nu als het ware bij voorbaat de handdoek in de ring gooide, was ook zoiets. Je werd er niet wijzer van. Tenslotte vond hij woorden voor wat hij zag.
“Wat gebeurt hier in vredesnaam?”
Jenny lachte opnieuw, kort en een beetje ongemakkelijk.
“Wat vind je ervan?”
Hij zocht in zijn vocabulaire.
“Bizar”.
“Wil je de rest zien?”
Deuren gaven toegang tot kleedruimten. Eén voor vrouwen en de andere voor mannen. Er waren douches en een ligbad van natuursteen. Een overdwars doorgezaagde auto diende tot zithoek: het dasboard was Amerikaans en daarmee protserig.
“Wat is hier achter?”
Hij stond voor een afgesloten, glasloze deur.
“Dat is voor een andere keer”.
“Ik ben wel wat gewend”.
“Dat denk je maar. Ga even zitten”.
Het was op z’n minst een vreemde situatie. Jenny duwde hem het maffe automeubel in.
“Je vraagt wat ik doe. Ik fotografeer mode. Ook worden hier erotische films gemaakt”.
Arnold wilde weg, maar vond dit tegelijk te gemakkelijk.
“Ik laat het je zien om te beoordelen of je te vertrouwen bent. Je moet er namelijk je mond over houden. Ga je mee?”
Het rondleiding was ten einde. De terugkeer ging snel. Jenny schakelde de verlichting uit en sloot deuren af met een sleutel.
“Vergeet je schoenen niet”.
“Het zijn laarzen”.

In De Pilaren was het matig druk. Ze zaten op het buitenterras met een biertje. Van verder weg, mogelijk uit de Coco Club, een betonnen kelder voor dansliefhebbers, bonsde muziek. Af en toe snerpte een bromfiets langs.
Een avond in een weekeinde. De jeugd is altijd op weg, voortgedreven door hormonen. Jongens willen naar bandjes en zoeken de meiden. Zij op hun beurt klitten samen, bespreken de jongens, tutten met spulletjes op de toiletten en handhaven hun collectief. Het is alles een oeroud paringsritueel.
“Ik heb gehoord dat jij fotografeert?”
Jenny merkte dit als terloops op. Ze zat naast Arnold en hing af en toe als bij toeval tegen hem aan. Op deze manier ving hij haar parfum op. Een geur om terug te leunen.
“Wie zegt dat?”
Arnold was oprecht verbaasd. Hij had nooit een camera gehad.
“Je kent haar. Ze heet Birgit”.
De vrouw waar mijn vader mee scharrelt. Hoe kent Jenny haar?
“O, die”.
Met de gebruikte toonzetting kon je een hele tafel kroeglopers aan het lachen krijgt.
“Birgit is mijn moeder”.

Arnold was verbijsterd. Birgit de moeder van Jenny? En Barry dan?
“Mijn ouders zijn gescheiden. Ik zie mijn moeder zelden, maar toevallig onlangs wel een keer”.
“En toen ging het uiteraard meteen over mij”.
Waarom niet? Jij lonkt immers naar alle vrouwen”.
De reactie was onmiddellijk, het sarcasme overduidelijk.
“Zei je moeder dat?”
Arnold vond het gesprek onaangenaam worden. Van zijn gedrag tijdens het feestje bij de burgemeester in zijn dorp, herinnerde hij zich weinig. Maar er was meer: het voelde aan of er een val werd opgezet. Hij kreeg zin om te vloeken en heel erge scheldwoorden te gebruiken.
“Ik moest maar eens opstappen, Jenny. Ik voel me ziek. Het zou best eens terminaal kunnen zijn”.
“Je blijft gewoon zitten, want ik ben nog niet klaar. Wanneer je met mij gaat sollen, heeft dat ook gevolgen voor de relatie van je vader met mijn moeder”.
Kille drift borrelde op in Arnold. Het leek of zijn lichaamstemperatuur acuut meerdere graden daalde.
“Is dat een dreigement, Jenny Filarski? Denk je dat ik bang ben voor jou? Wat kan mij de relatie tussen mijn vader en jouw moeder schelen! Denk je dat ik daardoor aan jou zit vastgebakken? Dan zit je er aardig naast”.
Jenny leek iets te gaan zeggen, zich in de oplaaiende ruzie te laten meetrekken. Ze had zichtbaar moeite zich in te houden. Plotseling vloog er een glimlach over haar gezicht.
“Ik zal je een geheim verklappen, want binnenkort kom je er toch achter. Weet je wie er voor ons werkt, uit de kleren gaat en alles?”
“Verbaas me maar”. Arnold was razend en dacht alles aan te kunnen.
“Iris”.
Iris, natuurlijk, Iris.
“Barry gaat niet met haar naar bed, zoals jij denkt. Hij regisseert films op locatie. Bijvoorbeeld in een kamer boven De Tsarina. Daar was je nog niet opgekomen, he?”
Arnold onderbrak haar. Hij was jong en onervaren, een vrijpostige dorpsjongen. Hij dacht dat alles is op te lossen met grappen en grollen of desnoods met klappen. Hij stelde ook een vraag.
“Van wie denk je dat ik het weet van je vader en Iris?”

De stemming was redelijk bedorven. Zeker Arnold wenste geen gezichtsverlies lijden. Daarbij was hij om nog een andere reden in het nadeel: Pa Filarski reed in zijn auto rond. Jenny betaalde. Even later liepen ze over het plaveisel van straatstenen. Jenny’s auto stond om de hoek.
“Wil jij rijden?”
“Nee. Maak zelf maar ongelukken.”
“Naar huis?”
“Het strand”.
Hij zei het om haar te dwarsbomen.
“Wat je wilt”.
Jenny koerste met vaste hand. Ze reden door straten, afgezoomd met weelderige huizen achter bomen en struiken. Daarna ging het rechtsaf, richting zee.
“Waarom zei je dat over Iris?”
“Omdat ik van jullie weet. Bedenk dat wij niemand dwingen”.
De eeuwige redenering van de middenstander. Iets aanbieden waarop niemand zit te wachten en dan beweren dat de mensen het zelf willen en jij niet anders bent dan een neutraal en nuttig doorgeefluik.
Arnold voelde dat het anders zat. Dwang bestaat in vele vormen. Het begint met manipuleren en eindigt met geweld. Hij was evenwel te veel ontregeld om goed te kunnen nadenken. En ergens begreep hij, dat praten het terrein van Jenny was. Zij zou hem hierin toch de baas blijven.
Ze naderden het strand. Er is gelukkig weinig gebouwd in de duinen die uitkijken op het beste dat Nederland heeft: de Noordzee. Bij een opgang voor voetgangers kwamen ze tot stilstand.

Langs de waterlijn ging het. Arnold zoog de zeelucht in zijn longen, langzaam en in regelmaat. Het zou nog even duren voor de zon in de zee verdween. Jenny deed een halfbakken poging hem een arm te geven. Hij dacht aan een schoolreisje van lang geleden. Hoe ongecompliceerd was toen het leven.
Misschien had Jenny gelijk. Wat betekende Iris voor hem? Ze deed het met de oude Barry of liet zich minstens naakt filmen om aan geld te komen. Geld, waar ze vervolgens dope van kocht.
“Wat moet Iris precies doen?”
“Iris doet wat alle vrouwen bij ons doen. Maak je geen illusies. En ze moet niks. Maar genoeg over haar. Vertel eens iets over jezelf. Wat ga je de komende tijd doen?”
Hij kon moeilijk naast haar blijven bokken.
“De garage. Een paar cursussen. Zoiets”.
“Niet studeren?”
“Schei uit. Wat schiet je ermee op?”
“Je kunt bij ons komen werken”.
“Wie zegt dat?”
“Dat hoor je toch?”
“Als wat?” Arnold raakte het noorden kwijt. Werken met Jenny?
“Jij denkt alleen aan seksdingen. We doen veel meer dan dat”.
“Hier moet ik eens rustig over nadenken”.
Hij wist onderhand niet goed meer of hij spotte of een afweging maken.
“Dat lijkt me ook. Laten we wat gaan zitten, tegen de duinrand”.
Ze trokken de laarzen uit en betraden het mulle zand. Het ging moeizaam.
Ineens maakte Jenny zich los. Ze rende uitdagend van hem weg, recht tegen het eerste duin op. Een beetje overdonderd keek hij haar na.
De man blijft een jager. Tienduizend jaar knollen opgraven en bessen plukken in het bos hebben de oudste genen niet kapot gekregen. Alleen al het vermoeden dat een man wordt afgerekend op zijn vermogen te jagen, dwingt hem tot actie. Arnold zette de achtervolging in.

Ze streken neer in een vlakke duinpan. Vanaf het strand waren ze niet meer te zien.
“Probeer toch te ontspannen. Wees eens lief voor mij.”
Jenny strekte zich uit op haar rug en sloot haar ogen in de lage zomerzon. Niets merkte zij van de agressie die in Arnold voortwoedde.
Hij keek op haar neer. Hij verwonderde zich over het gemak waarmee Jenny meende de lieve vrede te hebben gered en de situatie naar haar hand te kunnen zetten. Hij streek met zijn vinger over haar hals. Het was geen liefkozing, maar een inleiding tot dominantie.

Andy Warhol, icoon van de juist voorbije jaren zestig, was van mening dat hormonen een hindernis vormen op het pad van arbeid en productie. Seks mag lekker zijn, het leidt de aandacht af van waar het echt om gaat. Hij zag het verkeerd: voortplantingsdrift is de belangrijkste motor van ons handelen en lust in zijn boodschapper. Zonder lust bestaat alleen arbeid die ook door robots gedaan kan worden. Zelfs om de soepblikken van Warhol te bedenken, kun je niet zonder de rusteloosheid en frivoliteit, eigen aan lust.

“Doe dit om”.
Haar hand toonde onmiskenbaar een opgerold condoom. Ze moest het in een jaszak bij zich hebben gehad. Arnold begreep dit aanstonds en het ergerde hem mateloos.
“Hoezo?” Hij begon haar uit te kleden.
“Omdat ik het je vraag”.
Ze hield haar ogen gesloten. Hoever moest je gaan voor Jenny haar bazige toon zou inbinden? Arnold maakte haast. Zijn broek werkte niet erg mee.
“Wij gaan het zonder doen, Jenny”.
Ze sloeg haar ogen op, haar heldere leeuwinnenogen.
“Ben je helemaal, moet ik zwanger worden?”
In een onhandige poging overeind te komen, viel ze tegen hem aan.
“Waarom niet?” Haar naaktheid benevelde zijn verstand.
Snel pakte hij haar polsen en drukte haar neer.
“Hou op! Ga weg!”
Een weg terug was er wel, maar hieraan wilde hij niet denken. Jenny rukte zich los en raakte hem in zijn gezicht. Arnold hief zijn hand om terug te slaan. Instinctief beschermde ze haar gezicht.
“Waag het!”
De liefdesduifjes behandelden elkaar ruw. Er was geen liefde, maar slechts strijd. Arnold was veel sterker. Jenny schreeuwde, maar wie kon haar horen?
Alles wat u hier zult aantreffen is egoïsme, wreedheid, wellust en de meest absolute goddeloosheid. De enige keus die u hebt, is die van een totale onderworpenheid.
Wie eenmaal De Sade heeft gelezen, kan niet meer normaal denken.
Het kwam neer op verkrachting. Arnold probeerde zijn zaadlozing uit te stellen. Jenny lag er in toenemende mate passief bij. Ze hield haar gezicht afgewend. Dit bleef zo toen hij tenslotte in haar klaarkwam en zwetend neerkeek op haar lichaam.
“Heb je nou je zin?”
Arnold gaf geen antwoord. Hij probeerde zijn ademhaling te temmen.
“Dit zet ik je betaald”.

Jenny reed opnieuw. Ze had hem gewoon in het duin kunnen achterlaten, maar leek door het geweld eerder wat meegaander geworden. Het ging naar een witgeverfde uitspanning langszij de weg. Deze was voorzien van een grote parkeerplaats, waarop niet meer dan tien auto’s stonden. Het geheel maakte een desolate indruk. Arnold herkende het gebouw. Hier had een bluesband opgetreden. Hij had destijds in de duinen kunnen liggen met Bertine, maar koos voor de muziek. Nederland kende een hele serie prima bands. Na een jaar of tien kwam de golf ten einde om het land achter te laten met zouteloos volksgejammer en al even bedenkelijke videoclips. Wie kon bedenken dat het van muziek naar beeldtaal zou gaan en nog weer later naar een staccato discodreun voor een collectieve viering van het ego?

Het zalencomplex was sinds Arnolds laatste bezoek veranderd in een nachtclub. De naam stond hoog aan de gevel in neon: Het Paradijs.
Onderweg hadden ze gezwegen. Aanvankelijk in een sfeer van wrok en verontwaardiging. Het werd beter toen Arnold zijn hand op Jenny’s onderarm legde.
“Het ging vanzelf Jenny. Het spijt me”.
Waarmee hij op de keper beschouwd alsnog geen verantwoording nam.

De portier was een Neanderthaler. De man herkende Jenny met moeite. Hij snoof als een hyena aan een ingesloten hertje. Tenslotte konden ze doorlopen, om te belanden in een lounge. Hier stond een bar van glas en gietijzer, omzoomd door met wit kunstleder overtrokken krukken. Lelijkheid kent geen tijd. Jenny liet Arnold even alleen.
De kelner was jong, onberispelijk en tamelijk afwezig. Hij vroeg wat Arnold wilde drinken.
“Mijn vriendin komt eraan”. Je moet wat zeggen.
“Ik weet wat Jenny drinkt. Wat zal het zijn?”
Een nieuwe wereld. Haar wereld. Op de achtergrond klonk muziek van The Partridge Family. Een plastic wereld. Met de wisseling van het decennium waren de fameuze jaren zestig definitief afgedankt. De nieuwe muzikale mode toonde bovenal performance en glitter. Er bestond zelfs een artiest die zich letterlijk zo noemde: Gary Glitter.
“Dan maar een pilsje”.
De kelner ging aan het werk. Hij keerde terug met drie centimeter schuimkraag in het glas.
“Verkoop je sigaretten?”
“Zeker”.
“Craven?”
“Die ken ik niet”.
“Players? Davidoff? Senior Service?”
Hij zei het om te pesten. Zijn pils zag er niet uit.
Het werd een pakje Camel Filter, beter was er niet. Met de muziek was het evenzo gesteld. Vanachter een schot van witgekalkte schrootjes sijpelde de piepstem van BJ Thomas, een onbeduidende zanger.
Jenny kwam eindelijk terug. Niets wees erop hoe ze er een half uur eerder aan toe was geweest. Ze beklom de barkruk naast hem. Arnold probeerde haar parfum te ruiken.
Welkom in Het Paradijs. Help.

“Daar zijn jullie dus!” Pa Filarski.
Hij legde de sleutels van de geleende BMW naast het pilsglas.
“Even uitblazen”.
Hij schoof op een kruk en klikte met zijn vingers, een tamelijk overbodig gebaar.
“Prima wagen. Beetje zwaar voor mij. Duur ook, zou ik denken”.
Arnold voelde zich uitgenodigd een verklaring te leveren.
“Van mijn vader gekregen. Wegens mijn diploma. De auto was eerst van hem. Mag ik ook het kentekenbewijs terug?”
Zoals eerder in De Pilaren werd zijn blik getrokken door het zware horloge om de pols van Filarski. Het was even imposant als lelijk. Het paste eigenlijk niet eens bij hem.

“Ik sprak al met Arnold over werk. Hij fotografeert namelijk”.
Jenny probeerde het gesprek op de zaken te richten.
“Zo, zo”.
“Hij zou stage kunnen lopen. Dan heb ik meer tijd om te managen”.
Managen, een woord dat Arnold voor de eerste keer hoorde.
Er werd nu links en rechts van hem gesproken. Hij zat er tussen en nam geen deel. De kelner plaatste een breed glas whisky voor Pa Filarski. Er dreven brokken ijs in, die tegen zijn voortanden rammelden wanneer hij een slok nam.
“Hmm. Hmm”.
“Ik heb het huis getoond. En de werkruimte”.
Jenny glimlachte zelfverzekerd. Ze wisselde een blik met Arnold als om aan te geven dat het tijd werd zelf de kar te trekken. Hij gebaarde de kelner, die met tegenzin kwam.
“Niet om het één of ander, maar dit noem ik geen glas bier”.
“Wat is er dan mee?”
“Kijk goed. Er zit alleen schuim in”.
De kelner zuchtte, nam het glas en hield het een paar seconden opnieuw onder de tapkraan.
“Zo goed?”
“Is dit een vraag? Je zou het gewoon zelf moeten weten”.

Oefening baart kunst. Dit is een oude volkswijsheid. Het brein stelt zich in op waar de eigenaar mee bezig is. De routine neemt toe of anders gezegd: je word beter in wat je doet. Er bestaat ook een ander oud gezegde. Dit luidt: waar je mee omgaat, daar word je mee besmet.

Arnold gebruikte de tijd die heenging met het verkrijgen van twee extra slokken bier om zich te herpakken. Het gesprek met vader en dochter Filarski vereiste aandacht.
“Verdient dat nogal, het maken van films?”
Het woord porno had hij niet in de mond durven nemen.
“Het is hard werken”.
Het klonk en beetje stroef, op afstand. Barry ging langer mee dan vandaag.
“Luister even, Arnold. Ik heb nagedacht over ons vorige gesprek, in De Pilaren. Waarschijnlijk heb ik de verkeerde mensen vertrouwd”.
Hij gaf Arnold een onverwacht stevige hand. De hand waar het imposante horloge aan vast zat.
“Toch wil ik je een raad meegeven. Zeker als je bij ons komt werken.”
“U hoeft dit niet te zeggen, ik begrijp het zo wel”.
“Dat betwijfel ik. Onderschat ons niet. Probeer niet, ons in de maling te nemen. Dit zeg ik je in alle eerlijkheid. En nu ga ik eens rondkijken, want hier zit ik uiteindelijk toch in mijn eentje, nietwaar?”

Ze bleven nog een klein uur, speelden wat aan een fruitautomaat en rookten Camels. Jenny legde haar hand op de zijne, maar ze knikte ook naar andere mannen. Haar kennissenkring leek omvangrijk en diffuus.
“Zullen we naar de stad gaan?”
De stad. Arnold wilde naar buiten. Het Paradijs benauwde hem.
“Als jij het wilt”.
Het besluit stelde hem wel voor een probleem. Bestonden er gelegenheden die bij Jenny pasten? De hangplekken en cafés waar hij normaliter kwam, leken alle ongeschikt. Dat hij Jenny wel eens in de Ragebol en zelfs in Doublecross had getroffen, deed hieraan niets af. Desondanks wilde hij niet terugkrabbelen en in Het Paradijs blijven. In de stad kon je verder kijken.
Vanachter de bar van Het Paradijs klonk de stem van Paul McCartney, de gezellige Beatle. Verlost van Lennon kon hij eindelijk ongeremd leuke liedjes de wereld insturen. Jenny had een voorstel.
“Ik ken een nieuw café in de stad. Pas geopend. Het heet Ballade”.
“Is dat zo?”
Arnolds verbazing was oprecht. Deze naam had hij nooit eerder gehoord.
Ze verlieten Het Paradijs nadat Arnold had afgerekend. Hij gaf de barbaar bij de deur een klein geldbedrag, want portiers moet je te vriend houden. De BMW rook naar Barry.
De auto van Jenny moest blijven staan. Pa Filarski moest ook een keer naar huis.
“Wil jij? Ik heb teveel achter mijn kiezen”.
Een verstandige beslissing. Reeds bij de afrit werden ze staande gehouden door de politie. Hun wagen stond tussen de struiken. Een dikke kerel in uniform loerde in de wagen. Hij bekeek Jenny’s rijbewijs. Ze behoefde geen alcoholtest af te leggen.
“Jenny?”
“Ja?”.
“Je bent een supervrouw”.
Het is een kunst of een afwijking: te geloven wat je zegt, ongeacht of het iets met de waarheid uitstaande heeft. En hiervoor het juiste tijdstip te kiezen.

De BMW was van een andere orde dan de Lancia. Jenny had er moeite mee. De krachtbron in het vooronder was machtig en ongedurig.
In een woonstraat parkeerde ze de wagen slordig en gaf de sleutels dadelijk over.
“Wil je misschien liever naar De Zwarte Beer?” Jenny dacht voor Arnold.
“Daar kom ik alleen als er niets anders meer op zit. Blijven we vannacht samen?”
“Nee. Morgen moet ik weg. Met het vliegtuig. Dat hoor je later allemaal wel”.
Het klonk hem vals in de oren. En terecht, want er kwam nog een toetje.
“We hebben bovendien vandaag wel seks genoeg gehad. Jij toch in ieder geval”.

Café Ballade lag schuin tegenover Doublecross. Arnold zag al van buitenaf dat de bevolking vooral bestond uit artistieke types met een sikje naar voorbeeld van Ho Chi Minh, de populaire voorman van Noord Vietnam. Alleen betrof het hier geen politiek betrokken mensen, maar lui die alleen belang hechtten aan uiterlijk vertoon. Je kon ervan op aan dat het biefstuksocialisten waren, de kern van de latere Linkse Kerk.
“Ha, die Arnold!”.
Drie voormalige klasgenoten in corduroy begroetten hem. Een vierde droeg gebleekt spijkergoed, de schrik van elke moeder.
“Heren! Gaat het u goed? Het betreft een retorische vraag”.
Onmiddellijk speelde Arnold de clown.
Er werd al gestudeerd. Het feest was begonnen. De wereld opende haar poorten.
“Werk je in de garage van je vader?”
Op de een of andere manier ergerde hem vraag hem. Garage klonk naar iets aards en minderwaardig.
“Zeker. Ingeval jullie een auto willen aanschaffen, kan ik helpen”.
Arnold wist donders goed dat de studenten nog lang niet toe waren aan een auto.
“Maar ik ga ook films maken. Erger dan Kubrick. Als die naam je iets zegt” .
Alex. Binnendringen, Roven en verkrachten. Ultra Violence. Godverdomme.
“Trouwens, dit is Jenny”.
Ze werd bekeken en gewogen. Jenny kon elke keuring doorstaan. Gezellig ging het niet worden.

In Ballade kon je keurig dronken worden. Hiervoor behoefde je maar mee te praten over Herbert Marcuse of Joop den Uyl. Arnold verveelde zich een ongeluk en slaagde erin buiten te geraken. Jenny zou hem voorlopig niet missen. Hij overwoog naar de Ragebol te lopen, maar eenmaal buiten zag hij hier vanaf. Doublecross was geen optie gezien de problemen die hij er kon verwachten. Dan maar naar De Tsarina. Bij het langsrijden, had hij al gezien dat de paardenstal open was.
Arnold nam de auto. Hij scheurde onverantwoord snel, maar geen dienaar van orde en gezag liet zich zien. Binnen enkele minuten bereikte hij het jongerencafé. Hij stak een pepermunt tussen zijn kiezen, veegde het zweet van zijn voorhoofd en drukte de deur naar binnen. Vincent bracht juist een bestelling rond.

Arnold zette zich aan de bar. Hier zat verder niemand. Op de houten kubussen in de ruimte werd gedobbeld, een kaartje gelegd of zomaar wat geluisterd naar muziek. Hier was geen alcohol, alleen thee, koffie en een colaatje uit de koeling.
“Zo, Vincent. Heb je weer nachtdienst?”
Hij kon het simpelweg niet laten. Vincent keek op.
“Lekker rustig, Zwarthoed. Geen gedoe meer met foute vriendinnen. Saffie?”
Toe maar! Arnold nam de sigaret aan, tikte het mondstuk op de bar en wachtte.
“Iris nog gezien?”
Vincent wierp Arnold een peilende blik toe.
“Ik wilde jou toevallig dezelfde vraag stellen”.
“Dat schiet niet erg op”.

Binnen twee minuten zat Arnold weer in zijn auto en reed de weg terug. Precies voor Doublecross was een lege parkeerplek. Hij besloot alsnog het café binnen te gaan. Alles beter dan naar Ballade te moeten.
Achterin het zwarte café hadden aanhangers van coke een enclave afgepaald. Hier vormden ze een nauwe kring. De Witte Sloper was nog zeldzaam en riep geen associaties bij de burgerij op. Er werd gewoon openlijk gebruikt.
Arnold keek nauwgezet rond om eventueel gevaar te registreren. Het geluidsniveau in het koffiehuis stond op een onverwacht stevig niveau. Get ready van Rare Earth bleef dan ook een dijk van een nummer.
Hij liep gelijk door tot aan de wc deur. Verdomd, toch nog een bekende.
“Sjoerd, ouwe rukker!”
De aangesprokene probeerde weg te komen, maar was te fragiel, niet bestand tegen de brutaliteit waarmee Arnold hem klem zette. Deze moest zich buigen tot aan de oorschelp van zijn prooidier om zich verstaanbaar te maken.
“Wat een haast, amigo. Weet jij waar Iris is?”
Sjoerd wist niets.
Geweld inzetten, Sjoerd even bij de les halen?
“Wil je wat verdienen?”
Een interessant voorstel voor iemand met lege broekzakken.
“Iris?”
“Bespaar me je papegaaiengeleuter. Ik heb gezelschap dat staat te wachten.”
De herrie werd iets beter te verdragen. De drumsolo begon en de rest van de band kon de benen gaan strekken.
“Ik weet het verdomd niet”.
“Wat kan mij dat schelen? Steek je licht in kroegen en krochten. Zoek! Raadpleeg Sonja, zij kan kijken tot achter de sterren. Moet ik alles voorkauwen?”
Hij haalde twee biljetten van tien uit z’n zak, vouwde deze samen en stak ze in het jasje van de ander.
“Luister vriend. Het blijft geen kermis en alle dagen zondag. Ga je huiswerk maken, anders weet ik je te vinden. Als je iets zinvols te melden hebt, krijg je er nog een paar”.
“Wanneer dan?”
Sjoerd gaf zich gewonnen. Wie kan de verleiding van geld weerstaan?
“Ga nou eerst maar wat rondvragen. En noem niet mijn naam, denk erom”.
“Waar tref ik je dan? En wanneer?”
“Ik vind jou wel. Opeens sta ik voor je neus”.

Een ogenblik later stond hij weer op straat, de lege straat waar een zachte nachtwind doorheen stroomde. Lantaarns weerkaatsten hun wiegende licht in de ruiten van een bovenwoning.
Ik zou moeten studeren en de hele troep achter me laten.
Hij treuzelde een minuut en keerde met tegenzin terug naar Café Ballade. Hier trof hij Jenny met een vol glas als het middelpunt van een stel jonge Duitsers.
“Zo, jij hebt het volgehouden”.
Arnold had geen zin kennis te maken. Hij deed of de anderen er niet stonden.
“Jenny, ik wil weg”.
“Wat transpireer je, ben je ziek?”
Over de grens tussen gezond en ziek kun je redetwisten. Arnold haalde zijn schouders op. Bovenal was hij vermoeid.
Zal ik je naar huis brengen?”
“Nee hoor. Ik red me wel. Ga maar gauw”.
Altijd leek het Jenny die het laatste woord had en zijn beslissingen stuurde.

Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.