Monkwise

columns verhalen fotografie

BLINDGANGER, Hoofdstuk VIII

| Geen reacties

De telefoon rinkelt luid. Het is een apparaat dat bedoeld is, in te breken op de gewone gang van zaken.
“Arnold Zwarthoed”.
Een ogenblik is hij ervan overtuigd, dat het iemand van Defensie is. Een ambtenaar die vrijwillig is aangewezen om hem te vertellen dat de vrijstellingsbrief aan een ander verzonden had moeten worden. Er zijn immers meer Zwarthoeden in de wereld.
“Met De Zwaan. Mijn vrouw kan vandaag niet komen. Ze is ziek”.
Het is een flegmatiek stemgeluid, behorend aan iemand die vrede heeft met het bestaan. Arnold bedenkt, dat hij de werkster nog niet heeft gemist.
“Dat is vervelend, meneer De Zwaan. Is het ernstig?”
De menselijke geest gaat z’n eigen gang. Arnold denkt meteen aan een ongeneeslijke ziekte, een fataal gezwel, een sluipmoordenaar die uit het putdeksel omhoog is gekomen. Mevrouw De Zwaan is ten dode opgeschreven. Pas op de begrafenis zal hij zien wat van haar is overgebleven.
“Ze heeft longontsteking. Dat zegt de dokter”.
“Wens haar beterschap van mij. En zeg dat ze zich geen zorgen maakt”.
Beterschap namens Arnold Zwarthoed. Als mevrouw De Zwaan dit te horen krijgt, zal ze aan de zuurstof moeten.
Het gesprek is ten einde. Arnold legt de telefoon neer. Mevrouw De Zwaan is ziek, de onverwoestbare geveld. Geen hatelijke stofzuiger, kletterende afwas, de radio op Nederlandstalig zangtalent, maar evengoed geen warme prak, gewassen broeken, de kranten op een stapel, nieuwtjes uit het dorp.
Kan je het leven van een mens op deze respectloze manier samenvatten? Heeft iemand daartoe het recht?

Hij posteert zich voor het venster, ziet het groen wiegen in de wind en voelt voor het eerst in tijden geen aandrang iets te gaan doen.
Met een flesje frisdrank in de hand loopt hij de trap op, neemt in zijn kamer plaats achter zijn schrijftafel en schakelt de bandrecorder in. Oude herrie van de juiste soort schalt door het huis. Nummers van The Who. De drummer schopt zijn drumstel over het podium. Zo kan je zien, hoe hij over de burgermaatschappij denkt: we won’t get fooled again. Arnold zet het apparaat af. De schrijftafel herinnert hem aan de schoolgang en dit maakt hem niet vrolijker.

Een uur later begeeft hij zich te voet naar Garage Zwarthoed. In zijn binnenzak steekt een enveloppe met flink wat geld. Het zijn solide Nederlandse bankbiljetten van 100 gulden, voorzien van een streng portret. Met de auto is hij naar Amsterdam gereden om Duits geld te wisselen. Aan een brede straat nabij het station zit een wisselkantoortje, verstoken tussen twee machtige panden. De transactie verloopt simpel en soepel. Achter een ruitje van gewapend glas zit een Aziatische man te roken. Naar een paspoort of rijbewijs wordt niet gevraagd. Arnold wisselt een fors bedrag, maar durft niet met de volle 20 mille aan te komen. Naderhand moet hij naar een bank om het gewenste bedrag aan te vullen. Tenslotte strijkt hij vermoeid neer in een café dat aan een aquarium doet denken. Er komt geen personeel opdagen.

Bij het betreden van het terrein van Zwarthoed BV kijkt hij rond. Zijn ogen registreren de werkelijkheid die altijd prozaïsch zal zijn en toch vol drama is.
Een gebouw. Een benzinepomp. Een rijtje gepoetste occasions.
Hij beseft vroeg te zijn, maakt rechtsomkeert en loopt het dorp in. Hij betreedt Café Tramzicht en laat zich een broodje kaas plus een glas melk brengen. Goddank is het café al open.
Is het wel een goed idee om een leven in de garage aan te gaan? Studeren komt hem ineens voor als veel gemakkelijker. Dat hij vrijstelling van militaire dienst heeft gekregen omreden dat zijn vader dit heeft afgedwongen, ontsnapt aan zijn aandacht. Zo gaat het met jongens die nog geen man zijn. Ze nemen teveel aan als vanzelfsprekend.
“Wat kijk je zuur, Zwarthoed. Herrie met je ouwe heer?” De kroegbaas.
“Ik ben afgewezen voor militaire dienst, zonder opgaaf van redenen”.
Ergens speelt de kwestie toch in zijn gedachten. Je maakt je druk en je bent er vanaf.
“Daar ben je dan mooi vanaf! Gefeliciteerd. Het is immers zonde van je tijd”.
Een eeuwenoud besef dat oorlog duur en zinloos is, zit de Hollanders in het bloed. Net als de tegenzin om bevelen op te volgen. Militaire dienst is meer iets voor Brabanders en gereformeerden uit de Achterhoek.
“Wat u zegt”.
De barman schenkt koude melk in.
“Nogmaals van harte, jongen”.
Van de kroegbaas kan Arnold de term jongen wel verdragen.

De meeste mensen vinden het gemakkelijk wanneer anderen voor hen beslissen. Het brengt structuur en als het fout gaat, kan je de schuld afschuiven. Arnold behoort tot een andere soort. Hij heeft zich wel zorgen gemaakt over de vraag wat militaire dienst voor hem ging betekent, maar dit heeft hem niet weerhouden zijn eigen wensen onverminderd na te jagen. Zoals de aankoop van het boerenhuis. Met het bericht van Defensie springen alle verkeerslichten op groen, zo moet je het zien. Het wordt tijd voor gerichte daadkracht.
Nu de werkster ziek is en voorlopig wegblijft, heeft Arnold de rugzak in de kast van zijn kamer gezet. Hij haalt er een kleine stapel biljetten uit en bergt deze in zijn portefeuille. Vervolgens gaat hij douchen met de deur van de badkamer wijd open.
Douchen is voor het onderhoud van het lichaam tamelijk overbodig. De mens heeft het duizenden jaren zonder moeten stellen. Wel is het een mooi ritueel, symbool van reiniging en vrijmaking. Het is een door loodgieters mogelijk gemaakte ervaring.
“Daar ben je dus!”
Ze weet hem altijd weer te overrompelen. Trudie staat in de deuropening, haar ogen stijf dicht. Ze heft een grote handdoek op.
“Ik zal niet kijken!”
Arnold draait de kranen dicht en wrijft zijn oogleden droog.
“Trudie! Wat ben je vroeg”.
“Tandarts. Met kiespijn kom je altijd gemakkelijk weg”.
Hij pakt de handdoek aan, verbergt zijn hoofd erin en wrijft zijn hoofd omstandig.
“Krijg ik niets? Ben ik daarvoor thuis gekomen?”
Ze trekt de handdoek omlaag. Mensen krijgen nooit genoeg aandacht.
“Kusje!”
Nederig buigt hij zijn hoofd, ontvangt de kus.
“Ik wil ook douchen, schiet eens op”.
Ze stapt de badruimte binnen. Hij heeft alle gelegenheid naar buiten te stappen, zich te onttrekken. Ze heeft wat moeite om haar kleding uit te trekken. Hij helpt haar, laat de handdoek vallen, zet de kranen weer aan, stelt de juiste temperatuur in, maakt plaats, pakt de shampoo om haar haren te wassen, haar huid te betreden, van rug naar voorzijde, van boven naar onder.
“Is het mijn schuld dat mama dood is?” Een vraag in de stromende regen.
Arnold schrikt en trekt zijn handen terug. Ruzies, geschreeuw en pesterij vormen het beeld van jaren her. Moeders houden onvoorwaardelijk van hun kinderen, maar niet elke dag. Denkt zijn zus over die dingen na?
“Jouw schuld? Er is geen schuld. Het was immers een ongeluk”.
Trudie boent haar hoofdhaar of ze door vlooien wordt belaagd.
“Een ongeluk? Papa heeft haar van de trap geduwd”.
Arnold kent het verhaal. Het is onbewezen. De politie heeft een enkele vraag in die richting gesteld en daarmee was het gedaan. Desondanks kan je er beter over zwijgen, want voor je het weet komt er alsnog hommeles van.
“Zeg er maar niets over tegen andere mensen. Het is een geheim tussen ons”.
In de keuken bereidt hij de lunch. Je moet met Trudie aan tafel eten, anders draait het uit op chaos. Borden en bestek, het broodmandje, de hele rataplan in vaste slagorde.
“Ga je een schilderij voor me maken vanmiddag?”
“Een collage. Hoe groot?”
Arnold wijst zowat een vierkante meter aan.
“Mag het dan aan de muur hangen?”
“Alleen wanneer je goed gewerkt hebt”.
Hij belt Bertine op haar werk. Zonder de vraag met zoveel woorden te stellen, peilt hij haar bereidheid in de avond wat te gaan stappen. Het antwoord is voorspelbaar afwijzend. Maandag is een werkdag. Arnold moet eens leren zijn wensen in overeenstemming te brengen met de werkelijkheid van anderen. Hij hangt weer op.
“Ik moet weg. Op de terugweg haal ik Chinees”.
“Nee! Ik wil gebakken aardappels. En sla. En een kip. Anders geen collage. En gele vla. Zal ik het opschrijven?”
Arnold staat erbij te kijken. Trudie lijkt waarachtig mevrouw De Zwaan wel.

De Provinciale Weg ligt er leeg bij. Het weer toont een wezenloos mengsel van dampige wolken, vrij hoge temperatuur en nauwelijks wind. De motor van de BMW gromt in regelmaat en kracht. Formidabele techniek is een pijler voor welke toekomst dan ook. Ooit dreunden er BMW motoren in Duitse jachtvliegtuigen, door Goering gestuurd om oorlog te voeren. De oorlog werd verloren, maar BMW bleef.
Arnold rijdt naar een adres gelegen aan een smalle zijweg van de doorgaande route. Het betreft een kleine nieuwgebouwde bungalow. Aan de poort houdt een zwarte bouvier de wacht.
Zonder acht te slaan op het grommen van de hond, loopt hij het erf op en belt aan. Een nonchalant geklede man op leeftijd deed open.
“Goedemiddag. Mijn naam is Zwarthoed. Neemt u mij niet kwalijk dat ik zomaar langskom. Ik had moeten bellen”.
“Hoe ben je in godsnaam langs Casco gekomen? Zwarthoed, zei je?”
Binnen wordt het gesprek voortgezet, naar boerengebruik met een pot koffie. Op de keukentafel liggen de restanten van een gerookte makreel.
“Mijn vader voert gesprekken met de makelaar, maar het schiet niet op”.
“Wil jij daar gaan wonen? Zo’n jonge kerel?”
“Alleen al vanwege de kastanjebomen. Ze zijn prachtig”.
“Je ziet er niet uit als een boerenzoon”.
“Daar denken ze in de stad anders over. Mijn vader”.
“Ja, ik ken hem wel, van afstand dan. Wethouder. Garage Zwarthoed. Wil je ook een autobedrijf beginnen?”
Een gesprek voer je vooral met je oren. Arnold bespeurt een zekere afkeer van het woord auto.
“Ik denk meer aan struiken en boompjes. Bedoeld voor de nieuwbouw. De mensen willen toch iets in hun tuin planten”.
Mooi antwoord. Zijdelings het agrarische erin houden.
“Wat kom je nu precies doen?”
“Ik zou willen weten waar het op hangt”.
“Daar kun jij niets aan veranderen”.
“Als het over geld gaat, misschien toch een beetje”.
De oude man is een goede burger. Hij heeft altijd gewoon zijn werk gedaan en belasting betaald. Enige toelichting op andere opvattingen lijkt noodzakelijk.
“Ik dacht aan een onderhandse regeling”.
De boer mag eerlijk zijn, achterlijk is hij niet. Arnold neemt een flink risico met zijn voorstel. Er valt een lange stilte.
“Heeft je vader dat gezegd? Ben jij niet een beetje jong voor deze fratsen?”
Arnold voelt dat het helemaal scheef kan lopen.
“Als mijn vader het hoort, krijg ik een pak slaag. Maar ik heb wat geld gespaard en vandaar, op die manier. Misschien kan ik de boel vlottrekken”.
De boer moet nadenken. Het blijft opnieuw lang stil. Geen enkele auto of brommer passeert. Zelfs de hond, die op eigen kracht is binnengekomen, houdt zich koest. Het dier ligt naast zijn baas en wendt een slaapje voor.
“Ik heb een voorstel”. Arnold waagt het erop.
“Zoals?”
“Ik betaal u onderhands zesduizend gulden en u zakt met tien. Mijn vader krijgt de indruk dat hij succes heeft en zal wat soepeler worden”.
Een kleine legpuzzel.
“Ik wil achtduizend”. De boer kan sneller rekenen dan Arnold veronderstelt.
“Zes. Meer heb ik niet. Bovendien staan er meer huizen te koop, dat weet u ook wel. Maar u treft het, want ik betaal met Duitse Marken en die zijn meer waard”.
“De oorlog is allang voorbij. Wat moet ik met Duits geld beginnen?”
“Ik wil het ook eerst wisselen, maar dan krijgt u precies zesduizend in guldens”.
“Laat eens zien, dan”. De man denkt natuurlijk dat Arnold bluft.
Arnold haalt zijn portefeuille tevoorschijn en telt het geld uit op tafel.

De Ragebol is gesloten zonder begeleidende mededeling. De deur is gewoon op slot. Achter het raam heerst duisternis, een symbool voor de toekomst van de hangplek. Hier heeft ooit een winkelier zijn personeel opgejaagd. Kinderen zijn opgegroeid met uitzicht op de gracht. Die zit voor altijd in hun brein. Misschien zijn ze rijk geworden, maar de oorspronkelijke armoede krijg je er nooit meer uit.
Arnold loopt over de kromme kade van straatsteentjes die je nergens meer ziet. Het water is donker. Dit past goed bij de achterkant van de hoerenpanden met hun verweerde metselwerk. Het ruikt naar gas en het einde der tijden. De bestrating loopt vast in een berg zand.

In het hoekpand is een nieuw zaakje gevestigd. Altijd weer slaagt de middenstand erin om een nieuwe negotie te beginnen. Zonder middenstand wordt het land een dictatuur, linksom of rechtsom.
Voor de etalage blijft hij staan en bestudeert de tijdschriften met foto’s van jongedames. De vitale delen zijn afgeplakt met een zilverkleurig sterretje. Er liggen witte en zwarte trilstaven, handboeien, koorden als kleine galgen. Rond een paspop is een lederen pakje gedrapeerd. Het wordt samengehouden met metalen knopen. Tien jaar eerder was dit ondenkbaar geweest; de politie was eraan te pas gekomen. Zonder duidelijk plan stapt hij naar binnen.
Achter een kleine balie wacht hem een verrassing: Jenny.
“Hoi”.
“Hai”.
Hoe ze beiden in staat zijn hun verbazing te verbergen.
“Pas geopend?”
“Een maand”.
“Ik zag je staan. Gefeliciteerd”. Kletsmeier die hij is.
“Ik zal het doorgeven”.
De winkel behoort aan een kennis, een vriendin, een ander.
“Van wie heb je gehoord dat ik hier zou zijn?”
Veel mensen hebben weinig vrienden, maar wel een netwerk.
“Ik heb zo mijn methodes. Net als jullie”.
Ze lacht zoals alleen een vrouw dat kan. Arnold voelt dat hij beter met een zoiets als een reden voor zijn komst moet komen.
“Dat lederen pakje in de etalage. Wat kost dat?”
“Tweehonderd”.
“Of je een emmer leeggiet”.
“Maar het is wel apart en van heel soepel leder”.
Leder, een typische middenstandsterm om het woord leer op te vijzelen, de klant de indruk te geven iets kostbaars te verwerven.
Ze staat op, komt vanachter haar barricade, schuift langs hem heen.
“Zeg, Jenny?”
“Wat?”
“Draag jij die dingen ook?”
“Wat gaat jou dat aan?”
“Voor jou zou ik het kopen”.
“Ben jij er zo één?”
“Het zal je prachtig staan”.
“Je hebt wel lef”.
“Anders kom ik nergens”.
“Ik draag die dingen niet”.
“Jammer”.
Ze kijken elkaar aan, het contact geen moment verliezend. Zijn hart klopt in zijn keel, tegen zijn slapen. Hij is een grens gepasseerd, een grens waarvan hij vijf minuten geleden geen notie had.
“Je bent een vreemd kereltje”.
“Nee hoor. Als ik een ander was, dan zou ik jaloers op mij zijn”.
Hij koopt niets. Even later staat hij buiten.

Met een afspraak voor vrijdagavond op zak marcheert hij naar het leefbare deel van de stad. Hier is het domein van de winkels met kleding, schoeisel, fietsbanden, brood & banket, de hele neerslag van welvaart. Maar eerst gaat hij naar de echte motor van de economie: een Bank. Vier Duitse bankbiljetten uit De Tsarina worden probleemloos omgewisseld voor Nederlands geld. Banken regeren over meer dan de economie. Ze gaan over aankopen en verkoop, over smaak en mode, wel en wee, leven en dood. Wat zijn daarbij een paar bankbiljetten van een provinciale snotneus?
Bij Wimpy strijkt hij neer om wat te eten. Minutenlang staart hij door het vensterglas naar buiten. Hoe zit dat met Jenny? Hoe kan het bestaan dat hij haar uitgerekend hier en vandaag ontmoet? Zou de I Tjing,  aanbevolen door Boekenclubs, er een verklaring voor bieden?
Serveerster Antina die hem eerder heeft geholpen, brengt zijn bestelling. Hij eet aan de bar, voert met haar een gesprek over fietspaden, informeert waar ze woont en wat ze verdient. Hij betrapt zich erop bezig te zijn met de vraag of zij in zijn toekomst past. Ze lijkt een moderne vlotte meid.
“Kun je honderd wisselen?”
Antina weifelt.
“Ik ga wel even hiernaast”.
En weg is ze. Maar niet zonder de sleutel van de kassa mee te nemen. Zoals hij al dacht: een prima meid.

Het wordt tijd om boodschappen te gaan doen en naar huis te gaan. Hoewel, Doublecross is vlakbij. De gedachte aan hernieuwd bezoek na zijn vlucht windt hem op. Voor de zekerheid diept hij het pennenmes van Trudie op en steekt het in zijn meest toegankelijke jaszak.
Het is niet ver naar het zwarte café. Arnold slikt iets weg en stoot naar binnen. Er zijn geen bekenden. De barman is onveranderd dezelfde. De man zit op een kruk en bestudeert een telefoonboek.
Arnold speurt nog eens nauwkeurig rond. Twee groepjes langharige jongens zijn in zichzelf gekeerd. Een paar vrouwen roken een joint. De muziek staat op een beschaafd niveau. Verdomd, de muziek in Doublecross kan weldegelijk netjes worden afgespeeld. Ergens tegen de muur zit dan toch Sjoerd, gehuld in een dikke jas. Bewegingloos staart hij voor zich uit.
“Is je installatie kapot?”
“Burengeklaag, er moet isolatie in de plafonds”.
“Er is ook altijd wat”.
“Zeg dat wel.”
Een barman is ook maar een mens. Hij zit in het vak omdat hij niet bereid is echt werk te zoeken. Soms is dit vanwege een strafblad. Deze is geen professional. Hij stelt zijn eigen problemen aan de orde in plaats van te luisteren naar die van de klanten.
“Ik ben vandaag niet erg in vorm”. Zo iemand vraagt om ontslag.
“Ik snap het al: je vriendin is weggelopen”.
Mensen op een directe manier aanspreken, doen alsof je elkaar al jaren kent. Het werkt. Dit komt omdat de mens altijd bevestiging zoekt, als het ware aanhoudend met zichzelf in gesprek wil zijn.
“Nee, mijn vader is gisteren overleden”.
De woorden vallen precies in het gaatje van seconden tussen twee muzieknummers in. De mystiek van het leven dringt door tot in de meest duistere schuilhoeken.
“OK, ik snap het.”
“Dat betwijfel ik. Colaatje?”
Arnold kijkt naar de heilloze ruimte en krijgt de pest in.
Wat kan hem de dode vader van deze mafkees schelen? Toch trekt hij een kruk naar zich toe en schuift naar de bar. Zo gemakkelijk komt de barman er niet mee weg.
“Cola is goed”.
Hand aan de pomp, een glas dat schuin werd gehouden alsof het om bier gaat.
“Dus je vader is overleden”.
Antwoord blijft uit. Hij ontvangt het glas cola en legt alvast een muntstuk neer. Je kan beter meteen betalen. Voor je het weet, komt het er niet meer van.
“Dat is erg. Maar het is iets minder erg dan wanneer bijvoorbeeld de vader van Sjoerd zou overlijden, vergeet dat niet”.
“Sjoerd? Is zijn vader ook dood?”
“Hoe moet ik dat weten?”
”Wat zit je dan te zwetsen? Minder erg? Waarom?”
“Het gaat om het principe. Jij wordt ’s morgens wakker in een behoorlijk bed. Je staat op, je hebt werk. Je gaat geld verdienen”.
De barman zucht zichtbaar. Dat krijg je ervan wanneer je gesprekken aanknoopt.
“Sjoerd daarentegen slaapt in een kraakpand, op een muffe matras met kattenvlooien. Van een ontbijt kan hij alleen maar dromen. Hij stoot zijn hoofd aan een zolderbalk en herinnert zich dat hij de dag tevoren bij het Arbeidsbureau moest komen.”
“Jezus Christus”.
“Precies. Op straat komt Sjoerd toevallig zijn moeder tegen. Die vertelt hem, dat vader al een week dood is. Dood en begraven. Ik bedoel maar”.

Op straat kijkt hij om naar het pand. Vroeg of laat komt hier een inval door de politie. Je ziet het voor je. Dan wordt de tent met houten schotten dichtgetimmerd.

In een kleine Buurtsuper doet hij boodschappen. Kopen bij De Spar is sparen bij de Koop! Bij een poelier scoort hij de laatste twee gegrilde kippen. De man hanteert een kromme schaar om de beesten in twee delen te knippen. Arnold kijkt toe en prijst de hemel dat hij er niet gratis een uitgekauwd raadsel bij krijgt.
Welke vogel moet het met één testikel stellen? Het halve haantje.

In een optocht van auto’s rijdt hij huiswaarts. De file, dat ben je zelf. Het loopt tegen half zes in de avond. Steeds meer mensen beschikken over een auto die ze gebruiken om naar hun werk te gaan. Veel wegen blijken te smal. Het aantal verkeersongelukken met doden en gewonden stijgt explosief. De overheid loopt als altijd achter de feiten aan.
Thuis levert hij zijn aankopen af bij Trudie. Ze somt nauwkeurig op wat hij heeft beloofd. Pa Zwarthoed verschijnt een kwartier later. Hij heeft een pak paperassen bij zich. Er komt weer een Raadsvergadering aan. Hij werpt zijn kinderen een korte blik toe, stelt vast dat er eten is gehaald en wenkt Arnold naar de woonkamer.

“De makelaar heeft gebeld”.
Arnolds hart klopt snel en luid.
“De prijs is gezakt. Met negenduizend. Zie je wel dat wachten loont?”
Negen? We hadden tien afgesproken. Vuile klotenboer!
Hij knikt een beetje nors.
“En nu?”
“Je reageert nogal koeltjes. Negenduizend is een mooie som. Of ben je op andere gedachten gekomen? Het kan nog”.
Arnold wisselt een blik met zijn vader. Zijn hoofd schudt ontkennend.
“De zaak stopzetten, is precies wat ik zou moeten doen. Want ik weet dat je bij die boer bent geweest en wat jullie daar hebben besproken”.
Arnold kan geen woord uitbrengen.
“Ben je helemaal van de ratten besnuffeld!?”
Arnold wil iets zeggen, zich teweer stellen. Helaas, zijn woordenschat is uitgeput.
“Je bent een stomme ezel! Je moet nooit langs elkaar heen werken, snap je dat niet? Als je me dit in de garage flikt, schop ik je persoonlijk de poort uit!”
Natuurlijk heeft zijn vader gelijk. Arnold begrijpt het en houdt zijn mond.
“Nu heb je de eerste zes mille al ingeleverd”.
Toch nog een meevaller: de boer heeft kennelijk gezwegen over de omstandigheid dat het Duits geld betreft. Arnold vervloekt zichzelf, dat hij zo dom met buitenlands geld omgaat. Zijn vader zal meteen begrijpen dat er iets mee aan de hand is.
“Ik zou er gewoon mee moeten ophouden, weet je dat! En jou naar die boer sturen om je excuses aan te bieden! En je geld terug te halen. Idioot! Je bent nog geen 21 jaar, onthoud dat even. Je mag helemaal geen zaken doen zonder mijn goedkeuring. Heb je dan niks geleerd op school?”

Het zijn de laatste woorden deze avond. Na de maaltijd zitten ze gezamenlijk voor de tv. Er is een optreden van de familie Majoor.
Ik wandel in het licht met Jezus. Vader en kinderen Zwarthoed kijken drie kwartier naar een ongelooflijke hoop shit. Toch is geen van hen bereid op te staan en de knop van het toestel om te draaien.
Ze worden gered door het journaal. Beelden uit Belfast tonen zwarte rook in uitgewoonde straten. Burgers zwaaien dreigend met hockeysticks naar bewapende militairen. Een hond vlucht met de staart tussen de achterpoten.

Hij droomt van de garage. Zijn vader parkeert enkele occasions voor het gebouw. Het lijkt heel wat, maar Arnold weet dat in geen enkele auto een motor zit. Het is niets dan toneel.

De volgende morgen wacht hij tot alle geluiden uit het huis zijn weggeëbd. Een beetje lamlendig loopt hij de trap af, gaat in de keuken een boterham eten en kijkt de tuin in. Het gras wordt te lang. Het komt niet in hem op hieraan iets te doen.
Tot half twaalf is hij druk aan de telefoon. Daarna drinkt hij een glas melk, poetst zijn tanden en begeeft zich te voet naar Garage Zwarthoed.
Zijn vader zit achter zijn bureau, met bestellijsten en een rekenmachine.
“Heeft u een ogenblik?”
“Zeg het eens”.
“Over gisteravond. Ik heb het verkeerd gedaan. Het spijt me”.
Het valt Arnold nu pas op, dat zijn vader een leesbril draagt.
“Ga even zitten”.
In het kantoor hangt de geur van een verse sigaar, kenmerk van een geslaagde transactie.
“Ik ben blij dat je de stommiteit inziet. Wanneer je op eigen gezag in de problemen komt, kan ik je niet altijd helpen. En misschien wil ik het op zeker moment ook niet meer”.
In de garage wordt een auto gestart en weer afgezet.
“Nog even over je militaire dienst. Je zult wel gedacht hebben. Waar bemoeit die ouwe zich mee”.
Arnold haalt zijn schouders op. Hij is nog bokkig van de vorige avond. Een opgroeiende jongere heeft tijd nodig om zijn ego te leren beheersen.
“Het is vanwege Indonesië. Dat is mij slecht bekomen. Militairen zijn doden met uitstel, begrijp je”.
Gedempte radioklanken dringen door tot het kantoor. Sinds enige jaren kunnen de monteurs het niet meer zonder muziek stellen. Het is er zomaar ingeslopen.
“Jij denkt nu misschien, dat ik daarginder doodsangsten heb uitgestaan en liever was thuisgebleven.”
Een minuut lang verroeren vader noch zoon zich. Gezamenlijk kijken ze naar buiten, over de betonnen platen die tot aan het hek lopen. Hierachter ligt de woonwijk die uitbreiding zal krijgen.
“Daarginder heb ik gemerkt, dat je aan actie gaat wennen. Sterker, je raakt er verslingerd aan. Het komt zover dat het geweldig is om een dorp uit te kammen. Er werden weddenschappen op afgesloten hoeveel we er te grazen zouden nemen”.
“U zei: het had ook kunnen mislukken”.
Pa Zwarthoed schiet in de lach, een korte schamperlach.
“Met jouw keuring? Ja, maar dat was voor sommige lui niet verstandig geweest. Het verleden is voorbij, maar ik laat jou niet anderhalf jaar weghalen voor zoiets als dienstplicht. Je mag trouwens straks even een auto ophalen”.

In de huiskamer staat Arnold geruime tijd voor het raam. Het uurwerk in de Rotterdamse Staander achter zijn rug tikt kloek, om niet te zeggen meedogenloos.
Buiten gebeurt niets van belang. Een paar vrouwen fietsen langs. Een oude man laat een aangelijnde hond uit. Het beeld verschuift tijdelijk en keert terug.

Het roken van laatste sigaretten is flauwekul. Dat is iets voor films. Je roept gewoon tegen de gevangenen: sodemieter maar op! Ze verstaan je donders goed en beginnen te rennen. Dan schiet je ze dood. De klootzakken.

Op zijn schrijftafel ligt de collage, hem toegezegd door Trudie. Met belangstelling bestudeert hij het tafereel, opgebouwd uit gescheurde papierstroken, verfstrepen, potloodkrassen en houtskoolvegen. Wat hij ziet, is een weergave van wat drie jaar geleden in dit huis gebeurde: misschien, waarschijnlijk, niet aangetoond, verzwegen.
Een trap van 14 treden. Onderaan een blauwe vlek die lijkt te bewegen.
“Mooi?”
Trudie is dus toch thuis.
“Het is vreselijk”.
Als het om kunst gaat, heeft Trudie een perfecte antenne voor leugens.
“Denk jij dat ik gek ben?” Het is een manier om het woord liegen te omzeilen.
Arnolds ogen blijven op de collage rusten.
“Heb ik dat ooit gezegd?”
“Je moet niet iets anders vragen als ik jou wat vraag”.
“Ik denk niet dat jij gek bent”.
“Ik heb het gezien”.
Arnold moet iets wegslikken: niet door herbeleving van de dood van hun beider moeder, maar omdat hij voorziet dat zijn zus van streek zal raken en er heibel van komt.
”Dat is niet zo best”.
De herinnering dient zich desondanks aan. Een nacht in augustus, de wisseling van zaterdag naar zondag. Hij wordt wakker van de zoveelste ruzie tussen zijn ouders. Er wordt met een deur gesmeten en er volgt een geraas of er een zak aardappels van de trap rolt.
“Je kan het beter voor je houden. Anders moet je misschien voorgoed naar De Zon”.
Hij heeft een hekel aan zichzelf dit te zeggen.
“Mag de poster in de woonkamer hangen?”
“Kom eens hier”.
Arnold schuift zijn stoel terug, neemt zijn zus op schoot, streelt haar haren.
“Als mama nu een geest is, waar woont ze dan?”
“Beneden in de kist?”
Ervaring is de sleutel naar succes in de menselijke omgang. Arnold voelt dat hij niet te gretig moet zijn.
“Misschien. Als jij het denkt”.
Ze springt van zijn schoot en grist de collage naar zich toe.
“Ik weet waarom je hem niet wilt ophangen”.
Het gaat een kant op die hij niet heeft verwacht.
“Waarom dan?”
“Omdat je woorden hebt met papa. Daarom”.
“Ja, misschien is dat wel zo”.
Resoluut scheurt Trudie de collage aan stukken.

Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.



De verificatie periode van reCAPTCHA is verlopen. Laad de pagina opnieuw.