BLINDGANGER, Hoofdstuk XVII

| Geen reacties

Voorafgaande aan de bruiloft van Pa Zwarthoed en Birgit werd het belegen paar naar het strand gedirigeerd om foto’s te maken. Kitsch met een knipoog.
Arnold wachtte in het ouderlijk huis op een man die telefonisch had gemeld de woning te willen bekijken. Een half uur lang onderging hij het geleuter van een Amsterdamse slager met plannen om wanden uit te breken en de trap te verplaatsen. De trap waar Arnolds moeder het leven had gelaten.
De bezoeker had belangstelling voor het huis en ook voor de inventaris. Hij had een slepende ruzie met zijn vrouw achter de rug en wilde het liefst snel een volledig ingerichte woning betrekken. Hij beklopte de zware eiken kasten en zetels, staarde naar de Rotterdammer klok en herkende de zeemanskist uit zijn diensttijd. Dit alles beviel hem zeer. Hij dacht bovenal dat duur en smaakvol op hetzelfde neerkomt.
“Het mes snijdt van twee kanten”, probeerde Arnold aan te sluiten bij het taalgebruik van de Kiloknaller, die in zijn advertenties de slachtdieren deed schateren van pret.
“Maar je kunt niet twee ruggen uit één varken snijden”.
Het sloeg nergens op, maar klonk wel goed.
“Die kist wil ik zeker hebben en de rest past er uitstekend bij”.
“Daar zit een geschiedenis aan. Mijn vader praat er niet graag over. Het heeft te maken met Indië”. Zo werd Indonesië genoemd voor het onafhankelijk werd.
Stilte. Arnold onderging de nabijheid van een indringer.
“Kijk aan, een verhaal! Laat eens horen”.
“Mijn vader was commando in de oorlog met de rebellen in Indonesië. Het ging best goed, maar de Amerikanen eisten het vertrek van Nederland. Mijn vader werd weer ingescheept en nam de kist mee. Onderweg bleek dat zich hierin een kleine man verborg. Hij had de Nederlanders geholpen en vreesde voor zijn leven als hij bleef. De commando’s hielden de ontdekking stil. Wekenlang woonde de man in deze kist. Aangekomen in Amsterdam was hij onvindbaar. Sindsdien denkt mijn vader dat zijn geest in deze kist woont”.
Een verhaal verschaft een huis geschiedenis, al is deze navrant en volkomen bij elkaar gelogen. Arnold merkte dat hij zweette. Zijn afkeer van de man nam toe.
“Wat was de vraagprijs ook weer?”
“Die is er al voor geboden”.
Bluf. Hij ging bovendien zijn boekje te buiten. De afspraak met zijn vader luidde dat hij het huis alleen aan de bezoeker zou laten zien.
“Geboden? Door wie?”
“Ik weet het niet. Een klant van ons notarieel kantoor, tevens makelaar”.
Arnold hoefde zich niet in te spannen om onverschillig te klinken. De slager kon wat hem betreft opkrassen. Toch rook hij de mogelijkheid.
“Weet u wat. Misschien is er iets aan te doen, al zal iemand er niet blij mee zijn”.
Hij zocht het kaartje van Bertine’s nummer op kantoor en nam de telefoon ter hand.

Een aangebonden stier moet je niet dwingen, je moet hem geleiden met brave woorden en af en toe een por. Arnold zag de slager onrustig worden.
“Goedemiddag. Met Arnold Zwarthoed. Ik bel namens een geïnteresseerde in ons huis. De man staat hier naast me”.
“Hoi Arnold. Waarom bel je mij?”
“Ik weet dat de vraagprijs van honderd en veertig al is geboden door een cliënt van uw kantoor. Graag zou ik weten of dit de uiterste bieding is”.
“Houd je mij voor de gek? Wat wil je precies?”
“Ja ja. Tot honderd vijftig dus. Maar er is nog geen overeenkomst natuurlijk”.
“Jezus Arnold, staat die man naast je? Heb je een hekel aan hem, of zo?”
“Dat mag u wel zeggen. Daar is ook alle aanleiding toe”.
“Ik snap het. Denk ik. Geef hem maar even.”
Een gevaarlijk moment. Bertine kon hem in drie woorden voor gek zetten.
“Natuurlijk. Dat lijkt mij ook het beste. Alvast bedankt voor uw medewerking”.
Hij reikte de telefoon over aan de slager.
“Het kantoor voor u. Alstublieft”.
Arnold wendde zich af. Zijn lot lag in handen van Bertine. Nou ja, er kon hooguit ruzie met de slager ontstaan en ze stonden nog altijd in het huis van een Zwarthoed. Bij een verkeerde afloop kon hij alles ontkennen, net als Bertine.
Zijn linkerhand opende geroutineerd een kartonnen doosje Craven. Hij hield het zijn gast voor. Zelf nam hij ook. Hun hoofden waren vlak bij elkaar om een vuurtje te delen. Arnold zag de oorschelp, de schrale gelaatshuid, een grijzende bakkebaard.
In de verte hoorde hij Bertine’s stem. De slager luisterde voornamelijk. Het gesprek was veel vlugger ten einde dan hij had gedacht.
“En?”
“Ik moet er natuurlijk over nadenken”.
“Prima. U weet hoe de vlag erbij hangt. Mijn vader heeft alle tijd van de wereld, maar een goed bod wordt aangenomen. Zo werkt het”.
“Kan ik niet alleen het interieur kopen?”
Middenstanders wringen zich altijd in bochten om gewin te halen.
“Geen sprake van. Wat denkt u! Mijn vader begint een antiekzaak in Berlijn. Duitsers zijn dol op antiek. U kunt het huis voor honderd zestig kopen, inclusief de spullen die hier staan”.
Een schaduw gleed langs het venster aan de zijkant van het huis. De postbode deed zijn werk. De klep van de brievenbus rammelde. Op de mat klonk een doffe bons.
“Inclusief het antiek dus. En de kist?”
“Die krijgt u er gratis bij”.
Een kist is het laatste wat een mens moet willen.
Er viel een stilte. De klok tikte de seconden gelijkmatig weg. Het halve uur was bereikt. Het radarwerk ruiste, de aanzet tot een enkele bronzen slag.
“Weet u wat: ik doe het gewoon!”
Arnold dacht even dat de vloer bewoog. Het belang van de mededeling ging zijn verstand te boven. Had hij hier zijn ouderlijk huis verkocht aan een Amsterdamse slager?

Ze bekrachtigden de transactie met een glas cognac. Arnold belde meteen Bertine om het bericht door te geven. Om terugkrabbelen tegen te gaan, reed hij met de slager naar de bank aan het plein bij de kerk. Elke minuut die verstreek kon alsnog opleveren dat de man zich bedacht en Arnold kon uitlachen. Hij wachtte in de auto en durfde niet naar de ramen van de bank te kijken uit vrees dat de kassier hem zou herkennen en lont zou ruiken. Maar er gebeurde niets bijzonders. De slager keerde na tien minuten gewoon terug en telde vijfduizend uit. In ruil hiervoor ontving hij een set huissleutels aan een ring met het logo van Garage Zwarthoed.
“Namens de familie wens ik u geluk. Mijn vader neemt snel contact met u op”.
Arnold stapte uit en ging te voet naar het huis van zijn vader.
Hier belde hij opnieuw met Bertine. Samen even lachen. Hij bevestigde dat het kantoor gewoon haar courtage kon opstrijken.
“Zeg Bertine. Gaan we binnenkort nog iets leuks doen?”
Er viel een korte stilte. Een kenner weet dan wat er gaat komen.
“Arnold, ik heb een vriend”.

Birgit was een fraaie vrouw, maar de meest gulzige blikken gingen naar Jenny. Zij was getooid in antracietkleurige robe, dunne zwarte nylons, halskettinkje van platina en barnsteen uit Denemarken en bijpassende oorbellen.
“Fantastisch, ik heb er geen ander woord voor.”
“Dank je.”
Het nieuws over het huis kon hij kwijt op een eenvoudig bierviltje. Een ober mocht het brengen. Het bijgeleverde opgevouwen tientje was voor de man zelf.
Pa Zwarthoed sloeg zijn hand voor zijn mond, stak vervolgens zijn duimen op.

Er werd gesproken en gezongen, gedanst en gebabbeld. Het huwelijk is een ritueel dat de betrokkenen bevestigt in een gemeenschap en vorm geeft aan begrippen als respect en verantwoordelijkheid. Om over de economische verbintenis te zwijgen.
Arnold mocht Birgit kussen. Ze herinnerde hem eraan hoe hij haar had aangesproken tijdens een bijeenkomst ten huize van de burgemeester in het dorp. Stijldansen kon hij niet. Dit werd door moderne jongeren beschouwd als achterhaald en gericht op ongewenste aanpassing aan voorgaande generaties. Alleen ouderen en kinderen van achterblijvers die de tijdgeest niet begrepen, konden stijldansen. En kinderen van mensen die nooit ergens anders komen dan in hogere kringen. Zulke mensen kende Arnold niet.

Jenny feliciteerde het paar zoals alleen zij het kon: wervelend en ondoorgrondelijk. Birgit kreeg geen kans haar dochter te omhelzen, zonder dat dit echt opviel. Arnold zag het aan en voelde toch trots. Met deze vrouw sliep hij. Een feministische klacht wilde, dat mannen denken met hun ballen. Het is wat wreed geformuleerd, maar bevat wel waarheid.

Afstand doen van een vertrouwde omgeving. Huis noch garage waren nog vrij te betreden. Zo verandert bezit in verlies, tastbare alledaagsheid in onbereikbare herinnering. Het ontvangen van een vergoeding in geld verandert hieraan niets.

Na afloop van het feest ging Arnold alleen naar huis. Op de wc van het restaurant had hij overgegeven. Hierna voelde hij zich beter, maar het was een geschikt excuus om te vertrekken. Hij bereikte zijn huis zonder kleerscheuren. In zijn slaapkamer was het bed verschoond en de deken rechtgetrokken. Een nieuwe golf braaksel diende zich aan. Hij rende naar het toilet en zeeg ineen.
De antiperistaltische beweging veroorzaakt stank en lawaai. Het universum verschrompelt tot het ovaal van de wc pot. Minutenlang hing hij voorover en schreeuwde als een aangereden dier. Na het braken moest hij ook nog poepen. Bevend zat hij op de bril, spande zijn lichaam en leunde met zijn hoofd tegen de kille tegels.
Voor een zieke duurt de nacht lang. Arnold verdeelde de tijd tussen wc en slaapkamer. Wat een afsluiting van een succesvolle en feestelijke dag. Een poos lag hij op de vloer, een jas over zich heengetrokken.
Er was mogelijk sprake van verkeerd eten. In kip, ijs en sla, overal loeren de lagere levensvormen die maar al te graag de macht hernemen. Miljoenen jaren hebben ze stand gehouden. De mens moet zich niet inbeelden dat microben en bacillen zijn uit te roeien. Onder een microscoop toont de wereld haar onvernietigbare hel.
Na het afstoten van alle giftige stoffen resteerde de uitputting. In gekromde houding lag hij op zijn matras. Zijn voet schudde heen en weer op een denkbeeldig ritme. Zweet droop langs rug en borstkas.

Het mooie van een roterende aarde is, dat er steeds weer een nieuwe dag komt. In het opkomende licht staken de kastanjebomen machtig af tegen een lichtblauwe hemel.

Pa Zwarthoed en Birgit stegen op naar de enige stad ter wereld achter prikkeldraad: Berlijn. Arnold en Trudie stonden op de buitenpromenade van de luchthaven. Om de beurt tuurden ze door een verrekijker op een stalen sokkel. Even later werden ze gesommeerd te vertrekken. De promenade werd afgesloten, uit angst voor Palestijnse aanslagen op vliegtuigen. De afsluiting zou voor eens en altijd zijn.
Het vliegtuig was een Boeing 707 van Lufthansa. Vier straalmotoren sleurden het toestel de hemel in. Luchtvaart is een fantastische vinding.
Met z’n tweeën gingen ze eten. Hollandse Pot in een eenvoudig restaurant. Arnold keek met verstild genoegen toe hoe zijn zus gebakken aardappels naar binnen werkte en de biefstuk in stukken sneed. Sperziebonen dampten op haar bord. Ze genoot bij voorbaat vanwege het ijs dat ging komen. Na afloop wilde ze roken. Een Tivoli van de serveerster. Een Craven was haar te zwaar.
Arnold zette zijn zus af bij Huis De Zon. Hij keek haar na en dacht aan zijn vader die het hazenpad had gekozen.
Met onverantwoorde snelheid jakkerde hij terug over de Provinciale Weg. Links lag de vaart, een water van zeven meter breed en een meter diep. Hij doorkliefde een dorp met een stompe, onafgebouwde toren en een verlaten melkfabriek die de schaalvergroting niet had overleefd.
Een enkele huiskat, verloren suikerbiet, of een liter gemorste olie kon hem doen crashen, tot gort slaan, over de kop de sloot in, naar de hel zenden in een steekvlam van benzine.
De radio in zijn auto bracht Child in Time, een internationale hit van Deep Purple. Toch een beetje gelikt. Met dank aan Zeppelin. De snelheidsmeter van de BMW trilde.
Wat maakt het uit, je op jonge leeftijd dood te rijden? Is dat erger dan je leven te slijten met werken, slapen, eten, vakanties op een camping, de hond uitlaten, twee kinderen krijgen en een jaarkaart voor AZ ’67 kopen?
Niets is erg zolang je er zelf over kunt beslissen.

Schuin tegenover Doublecross waren wel twee parkeerplaatsen onbezet. Arnold remde en hoekte de wagen achter een bestelbus. Pa Zwarthoed moest eens weten op welke manier er met zijn geschenk werd omgesprongen. Pa Zwarthoed had het recht van spreken verloren.
In het voorportaal haalde hij een kam door zijn haren en stak een sigaret tussen de lippen. Vuur geven kwam binnen wel, als onderdeel van het ritueel.
Het lawaai in de kroeg was oorverdovend. Op de draaitafel lag een oude plaat van Blue Cheer. De heren lieten weten een hekel aan werk te hebben. Liever meldden ze zich ziek. Om hun recht te halen, wilden ze de Verenigde Naties desnoods inschakelen. Je zag het voor je. Het was om te huilen en te lachen tegelijk.
Aan de bar dronk hij twee glazen bier. Het was ongelooflijke troep, gebrouwen door mensenhaters. Hij zag zijn beeltenis in de spiegel achter de flessen. Het moest toch indruk maken. Die scherpe kop met sigaret, de lange leren jas, de bijna voelbare bereidheid kopstoten uit te delen ingeval hij het nodig vond.
In feite bewonderde hij zijn eigen verschijning. Toch een ander verhaal dan de man een paar meter verder. Deze stapelde bierviltjes opeen tot een kaartenhuis.
“Zwarthoed?”
Hij werd aangesproken door Dalton Ko. De wonderen waren de wereld niet uit. In Doublecross kon je alles verwachten.
“Kan ik je even spreken?”
“Wat is er Kootje, ben je levensmoe?”
De muziekherrie hield aan. Naadloos werd overgeschakeld naar Alice Cooper, charlatan met een liederlijke show. Het werd een nieuwe trend. Veel geschreeuw, weinig wol.
“Wat moet je?”
“Niet hier. Boven”.
“Waarom daar?”
“Dat hoor je straks wel”.
Arnold schoot in de lach. Hij voelde zich onverslaanbaar, op het balorige af.
“Daar heb ik slechte ervaringen mee, beste vriend”.
“Dit is anders”.
“Bewaar je spelletjes maar voor Mies Bouwman”.
Mies was een tv persoonlijkheid, archetype van de vrolijke presentatrice. Dat Mies ook uitgekookt was, ontging de meeste kijkers.
“Wat heb je te melden?”
“Jij wil toch weten wie Iris heeft doodgeslagen?”
Arnold voelde een schok. Wat kon een Dalton hierover weten?
“Als je het weet, moet je de politie bellen”.
Dit uitspreken, toonde al de onzin van de opmerking. Een Dalton die de politie belt?
Nou ja, Arnold moest toch naar de wc, het ging feitelijk in één moeite door.
“Vooruit dan maar”.
Arnold stond op. Ze bereikten de deur van de wc. In het matglas zat een ster.
“Wacht even”.
Hij betrad het toilet, deed met gesloten ogen en ingehouden adem een plas.
Ik kan nog weg.
Uit voorzorg draaide hij zijn aansteker op de hoogste stand. Een vlam van twintig centimeter biedt mogelijkheden bij onvoorziene omstandigheden. Snakkend naar verse lucht stootte hij de deur open.
“Luister even goed, Ko. Wanneer je me een geintje flikt, ben je nog niet jarig”.

Achterin Doublecross waren ze te vinden. De dope-freaks, dead from the neck up. Ze zagen er indrukwekkend uit. Getekend en mager. De hoofden bijeengestoken in een klassieke compositie. Niet gehinderd door enige aandrang iets in het leven te ondernemen. Slechts rook steeg gestaag omhoog. Alleen aan de rook kon je zien dat de dood nog op zich liet wachten.

Een rij versleten treden voerde naar de bovengelegen verdieping. In betere tijden was hier ongetwijfeld sprake geweest van een winkelpand met bewoning. Ze betraden een groot vertrek met schuine dakspanten. Het was hier nogal warm en er hing een zware, plantaardige geur.
“Kweek je wiet?”
“Ik woon hier”.
Er stonden inderdaad meubelstukken, een bed en zelfs een tv op een verhoging van lege bananendozen. Arnold en Ko stonden bijna tegen elkaar aan in de overvloedige ruimte.
“Daar zit je man, tegen die paal”.
Vanuit de ondergelegen kroeg drong de muziek door. De vloer trilde mee.
Arnold begreep niet wat hij zag. Tegen een zolderbalk stond een stoel. Hierop zat de cowboy uit de Ragebol. Zijn handen en voeten waren omwikkeld met zwarte tape.
“Wat heeft dit te betekenen?”
“Hij heeft Iris omgebracht”
“Schei uit. Hoe weet je dat?”.
Voorzichtig kwam Arnold dichterbij. Het was onmiskenbaar dezelfde man die hij enige keren had gezien in het café van Patrick.
“Hij heeft het uit eigen beweging gezegd”.
“Hebben jullie hem verrot geslagen of zo?”
“Nee hoor. We hebben hem voor jou bewaard”.
We. Wie zijn we?
“Welke idioot heeft hem vastgebonden?”
“Dat is voor zijn eigen bestwil. En voor die van ons”.
Arnold schudde zijn hoofd. Geholpen worden door de Daltons.
Hij posteerde zich voor de cowboy en hurkte neer om op gelijke ooghoogte te komen.
Ko leek haast te hebben. Hij toonde nerveus.
“Kijk maar eens naar zijn onderarmen”.
“Wat is daarmee?”
Behoedzaam stroopte hij beide overhemdsmouwen van de cowboy op. De idee dat ruzie over dope de reden van de ellende was, klonk redelijk.
Protest van de cowboy bleef uit. Zijn onderarmen toonden een reeks zwarte stippen, sommige omfloerst door rare rode vlekjes.
“Die gast moet naar het ziekenhuis”.
In het trapgat klonken nieuwe stommelgeluiden. Arnold keek om en begreep alsnog dat hij in een val was gelopen. De kaalkop van de vorige keer was erbij en de beide Duitsers die hem al in zijn eigen huis hadden afgetuigd.
We. Wij. Dalton & co, Duitsers.
In een reflex greep hij in de haardos van Ko. Met de andere hand zocht hij zijn aansteker.
“Vuile straathond! Je kop gaat in de brand!”
Arnold raakte in paniek. De eerdere klappen stonden hem nog goed bij. De mannen die hem naderden werden schimmen, schaduwen van het gevaar dat hem bedreigde. Dalton Ko verzette zich hevig. Hij hing bijna aan zijn eigen haren. Arnold drukte zijn duim omlaag: Click! De vlam van de Myon sloeg recht in het gezicht van Judas Dalton. Ko schreeuwde en rukte zich los. Ineens bewoog de cowboy. Zijn schaterlach vulde de ruimte.

Jaag een rat op in een afgesloten hok. Het dier zal er alles aan doen om weg te komen. Als dit mislukt, zal het zich omdraaien en aanvallen.
Blindelings deed Arnold een sprong naar voren. Het tv toestel kapseisde en sloeg tegen de vloer. Het beeldscherm toonde een horizontale lichtflits. De mannen stortten zich op hem en ze hadden gereedschap meegebracht om hun voornemen kracht bij te zetten. Arnold kreeg een slag van een stok of tafelpoot tegen zijn schouder. De kaalkop trok zich terug. Hij blokkeerde het trapgat en gaf aanwijzingen als een dirigent. Het was een drijftocht die fataal kon aflopen.
“Bindt hem vast. We krijgen hem wel”.
Mensen kunnen superkracht ontlenen aan angst. Als een os met drie leeuwen op zijn rug strompelde Arnold voort tot er een muur opdoemde. Hier moest de voorzijde van het pand zijn. De ramen waren afgeplakt met zwart plastic.
Hij strekte zijn arm naar de raamafdekking. Click! Zijn aansteker spuwde een montere vlam. Even leek er geen ander effect op te treden dan dat er een gat smolt, een waardeloos gat waardoor zwak lantaarnlicht van de straat binnen kon vallen. Hij moest alweer een schop incasseren. In Doublecross moesten ze toch merken dat boven hun hoofd de boel werd afgebroken. Dan vatte het plastic alsnog vlam. Een smerig vuur verspreidde zich razendsnel over de voorgevel. Vette plastic vleermuizen dwarrelden rond.
Opnieuw incasseerde Arnold een optater, deze keer in zijn lendenen. Zijn aansteker viel op de vloer. In plaats van te vechten of te rennen, raapte hij de Myon op en omklemde deze als zijn laatste en meest dierbare bezit.
Hij voelde geen pijn maar verdoving, een bijna letterlijke doofheid. De muziek onder hem werd een zoemtoon, de motordreun van een vrachtwagen. Hij zag dat zijn hand bloedde. Brandlucht drong tot hem door. Een lichaam stootte hem omver en bedekte hem als een smerige deken.
Hij schopte uit alle macht terug. Ook probeerde hij te slaan, maar zijn linkerarm bleef hulpeloos hangen. Hij kreeg een trap in zijn rug en nog een tegen zijn hoofd. Vanuit zijn nek verspreidde zich een soort hitte. Hij proefde zijn eigen bloed.
Opeens viel het elektrisch licht uit. Instinctief rolde Arnold weg, om zich een eind verder overeind te hijsen. Ook het brandje moest gedoofd zijn. In volslagen duisternis klonk gevloek en gehijg. Het leek erop, dat zijn tegenstanders elkaar hadden aangevat. Een vuile stank begon de ruimte te vullen, maar vuur zag hij nergens meer. Hij deed een stap in het niets. Ruggelings stuiterde hij de trap af en sloeg tegen een deur. Het volgende moment lag hij languit in Doublecross.

Omstanders weken uiteen. Daar was de bar, de bevrijdende bar met krukken en glaswerk en witte verlichting. Muziek beukte uit volle kracht. Arnold sleurde zijn lichaam omhoog.
Achter hem werd geroepen. Het klonk bepaald alarmerend. Opnieuw sleepte hij zich voort en spuugde naar iemand die in de weg stond. De gestalte bleef gewoon staan: het bleek het zware lederen toegangsgordijn te zijn.
Ineens stond hij buiten, op straat. Eindelijk frisse lucht! Schimmen vlogen langs hem heen, maar ze kwamen niet uit Doublecross. Arnold veegde bloed van zijn gezicht. Zijn rechteroog zat potdicht.
Het portier van de BMW zat niet in het slot. Hij kon zich naar binnen hijsen en de wagen van binnen uit vergrendelen.
Zo zat hij een minuut, hijgend en snuivend, snikkend en schuddend. Zijn neus voelde alsof er een mes in stak. Bloed droop langs zijn mond en op zijn kleding. Wegvegen had geen effect. Zijn hand toonde een brede snede en bloedde eveneens.

Op straat bleef het rustiger dan je zou denken na zo’n knokpartij. Er arriveerden geen wagens van politie, brandweer of ziekenhuis. Bezoekers van Doublecross kwamen even naar buiten, maar trokken zich snel terug. Ze bleven liever in de buik van de hel.
Tenslotte slaagde hij erin de auto te starten, alle noodzakelijke handelingen in de juiste volgorde uit te voeren en weg te rijden. Schakelen en sturen moest met dezelfde hand gebeuren. Aan het einde van de winkelstraat begreep hij dat het ondoenlijk was op deze manier naar huis te gaan. En wat moest hij daar aanvangen? Zijn hoofd begon te steken en zijn blikveld toonde figuren die over de weg leken te zwalken.

Het leven is een enkele reis naar de dood. Wie dit eenmaal onderkent en aanvaardt, kan er een feest van maken. Voorlopig ervoer Arnold het anders.

Gehavend sukkelde hij door de stad en bereikte van lieverlee rustiger buurten. Daar ergens was de flat van Bertine. Bij een fel verlichte telefooncel schakelde hij de motor af. Geradbraakt werkte hij zich uit de auto. Zijn kleding was aan flarden.
Hij sleepte zich naar de telefooncel. Het TL licht trok hem naar binnen. Boven het toestel stond een nummer in zwarte letters. Dit moest wel het nummer van Bertine zijn. Hij leunde tegen de wand en stond daar als in een schilderij van Hopper.
“Politie”.
De stem klonk een beetje verstoord.
“Met wie?”
“De politie”.
”Stomme klootzak”.
“Met wie spreek ik?”
“Ga aan je werk, mongool”.
“Heeft u ook iets zinnigs te melden?”
“Boven café Doublecross is brand uitgebroken. Ga er als de donder heen!”
Hij gooide de hoorn erop. De kwartjesbak ratelde en gaf geld als een flipperkast. Je kon de halve stad opbellen. Maar Arnold kende geen enkel nummer.

Bertine was thuis in gezelschap van een zus. Ze kwamen in het betonnen trappenhuis kijken naar wie daar aan de bel hing. De tocht naar boven was een martelgang.
“Arnold! Jezus!”
Onder een lamp op de galerij drong de situatie tot hen door. Bertine nam onmiddellijk een besluit. Rechtsomkeert en naar de polikliniek van het Stadsziekenhuis. Hij daalde van de trappen als een bejaarde met artritis. Nee, de politie konden ze beter niet bellen. Voor je het wist, kreeg Bertine gedonder.

De dag begon laat, zo tegen elf uur. Hij lag in een kleine kamer op een matras. Hieronder was kaal beton. Met een matig inkomen richt je niet zomaar een heel huis in. De gordijnen waren gesloten. Kleine, vreemde geluiden drongen tot hem door. Tenslotte begreep hij waar hij lag en dat er verder niemand aanwezig was. Hij sloot zijn ogen, voelde aandrang de wc te zoeken, iets te drinken bovendien, maar hij was tot geen enkele beweging in staat. Zo verstreek de dag, in golven van minimaal bewustzijn.

Bertine praatte hem bij. Hij had zich verzet tegen het bellen van een ambulance, vervoer naar de polikliniek en de arts die hem ging onderzoeken. Hij gedroeg zich als een aangereden boerderijkat. Toch hadden ze gelachen. Zijn kleding moest worden uitgetrokken. Hij had in de behandelkamer gestaan tussen drie vrouwen, met een ineengeschrompelde piemel.
“Hebben ze naar de toedracht gevraagd?”
“Nee hoor. Ze vonden je komst heel normaal”.
Hij moest lachen, maar pijn bracht hem tot andere inzichten. Hij had een gebroken neus, zes hechtingen boven de wenkbrauw, vier in zijn hand en een tand door zijn lip.
“Je zei dat je van de trap was gevallen. In een kroeg. Hopeloze leugenaar.”
“Het is niets dan de waarheid. Ik moet naar de wc”.
“Plassen?”
“Het lijdt geen uitstel”.
Omdat hij al even niet had gelopen, haalde ze een fles. Hierin had eerder yoghurt gezeten.

Op je rug in bed liggen, de pijnplekken lokaliseren en de kans op herstel inschatten. Buiten de flat werd oeverloos geprobeerd een auto te starten. Tenslotte werd het helemaal stil.

Een week bleef hij bij haar, in afzondering en anonimiteit. De dagen werden langzamerhand meetbaar in uren, in licht en donker. Het liefst lag hij in het logeerkamertje, zonder geluid. Op de zevende dag keek hij in de spiegel. Zijn ongeschoren gezicht was bont en blauw.
In een kast vond hij een ladyshave. Het kostte hem een half uur om zijn gezichtshaar terug te snoeien en zich voldoende toonbaar te maken om naar buiten te gaan en een eindje te lopen. Ontroerd stelde hij vast dat Bertine een nieuwe broek voor hem had gekocht, een vers T-shirt, ondergoed en sokken. Ze had zelfs een boekje met harde kaft voor hem gekocht. Het bleek een dummy. Je moest het zelf volschrijven. Waar vind je zo’n vrouw?
Eenmaal aangekleed, daalde hij de betonnen trappen af. Te voet bezocht hij een bloemenkraam en een sigarenboer voor een doosje slanke sigaren, zogenaamde señorita’s. Hier kon je ook geld opnemen. Hij realiseerde zich dat Bertine een vriend had en hij plaats moest maken.
“Bertine, ik ga eens opstappen. Vis en visite blijven drie dagen vers en jij houdt het al een week met mij uit”.
Ze protesteerde zonder overtuiging. De bloemen die hij had meegebracht, stonden al even definitief. Geld voor de goede zorgen had hij in een envelop gestoken met opdruk van bloemetjes.
“Wat denk je thuis aan te treffen? Zal ik meegaan?”
Dit leek hem overdreven. Hij keek naar Bertine. Ze was een schat. Ze was als een zusje.

De auto is een symbool van mannelijke geldingsdrang. Het is je reinste testosteron in plaatstaal. Een kinderachtige waarheid: nog geen vijf minuten zat Arnold in zijn BMW, of hij voelde vitaliteit en dadendrang terugkeren.
Bij een benzinestation tankte hij. De wagen werd door een wastunnel gevoerd, een nieuw fenomeen. In een kledingzaakje kocht hij een nieuwe jas en een vilten hoed, plus twee overhemden waarvan hij er dadelijk een aantrok. Kleren maken de man. Zijn haar was aan de lange kant. Het gaf hem de uitstraling van een gangster, een rebel with a cause.
De kanaalbrug stond open. Of er schepen passeerden was onmogelijk vast te stellen. Een bus van het streekvervoer blokkeerde het uitzicht. Passagiers keken vanuit de hoogte op hem neer. Arnold zag het en voelde dat hij leefde.
Na een kwartier kon er weer gereden worden. Er gaat niets boven eigen vervoer, zelf te kunnen uitmaken waarheen je gaat.

In een week van onmacht passeren heel wat gedachten en visioenen de revue. Je hebt alle gelegenheid om onderwerpen door te lichten, plannen te ontwikkelen en denkbeeldige strafcampagnes uit te voeren. Met het verstrijken van de dagen was er berusting in Arnold gegroeid en had hij besloten drastische stappen achterwege te laten.
Hij draaide de poort in die toegang gaf tot zijn eigendom, zijn erf met huis en opstallen, de beide kastanjebomen. Helemaal tot in de schuur reed hij de BMW. Hier stapte hij uit en zoog de lucht in zijn longen. Aarde, water, hooi. Ja ook hooi, gebracht tijdens zijn afwezigheid, bedoeld voor de huisvesting van een aantal konijnen, een idee van Trudie.
De achterdeur van zijn huis zat in het slot. Hij wierp een blik door het ruit naar binnen en zag niets dat hem verontrustte.
Op zijn gemak doorkruiste hij de woning, tevreden dat alles in orde was, er geen onverlaten hadden huisgehouden. Hij besloot vooralsnog met niemand contact te zoeken.

Wakker worden in je eigen bed, zonder gebreken of zorgen, de hele dag vóór je. Is dit niet het mooiste dat je in het leven kunt wensen?

De brievenbus puilde uit, merendeels met reclamebladen. Het is ongelooflijk wat middenstanders de mensen aansmeren: gereedschappen, keukenspullen, kerstverlichting, etenswaren en drank, een buikspierencursus, brommers, opleidingen, vakanties in Spanje. Alles opgediend in superlatieven, kleurendruk, voorzien van lachende gezichten, gezwets, aanbiedingen, garanties, spaarzegels. En toch. Het is beter dan dat er niets te koop is.
Arnold zeefde drie rekeningen uit de brij, plus een ansichtkaart. De rest verdween in de vuilnisbak. De kaart kwam uit Duitsland.
Dag jongen. Berlijn is fantastisch ! We hebben een vooroorlogs pand betrokken en de nodige contacten gelegd. Horen we iets van je? Wanneer kom je langs?
Arnold bekeek de foto: Checkpoint Charlie. Het was precies wat hij had verwacht. Een taxi stond te wachten voor een slagboom en betonnen richels. De wereld staat vol met Checkpoint Charlie, maar meestal laten ze je ongemoeid.

Plotseling stond ze voor zijn neus: Jenny.
“Mag ik binnenkomen?”
Ze moest met de bus zijn gekomen.
Zonder antwoord af te wachten, stond ze al in de keuken.
“Kan ik koffie zetten?”
“Dat doe ik zelf wel”.
Ze bleef staan in de keuken, zag hoe hij koffie ging maken: langzaam, met afgewogen bewegingen om zich zo weinig mogelijk in te spannen.
“Je bent nog intact”.
“Ik zou je moeten vermoorden”.
Stilte. Wel een minuut of zeven. Het water gonsde en ging koken. Ze stonden erbij als ging er een wonder plaatsgrijpen en misschien was het dat ook wel.
“Neem jij even suiker en melk mee”.
Ze mocht iets uit de koelkast pakken.
“Lekker stil hier”.
“Wat bezielt je naar mij toe te komen?”
“Het is mijn schuld”.
Een mooie waarheid. Kost veel moeite om uit te spreken. Er zou in scholen klassikaal op geoefend moeten worden, van kindsbeen af. De Roomse Kerk heeft dit altijd ingezien en er haar onderdanen mee afgericht. Door mijn schuld, door mijn aller-diepste schuld.
“Ik had je moeten waarschuwen”.
“Maar dat gebeurde niet”.
Arnold kon deze opgelegde kans niet negeren. Jenny negeerde zijn wrevel zonder een spier te vertrekken.
“Ik dacht dat het niet zo’n vaart zou lopen”.
“Al was Iris eerder vermoord en misschien om dezelfde reden”.
“Dat weet ik niet. Weet jij het?”
Koffie met melk en suiker. Regen dreinde tegen de ruiten van de woonkamer.
Honderd keer had hij haar afgemaakt in de afgelopen week. Opgehangen, doodgeslagen, onthoofd.
“Heb je aangifte gedaan?”
Ze was als een spin: een draadje hier, een draadje daar. Langzaam wordt het web hersteld.
“Ik los mijn eigen zaken wel op”.
“Ja, dat zie ik”.
Arnold moest een beetje lachen. Onmerkbaar probeerde hij haar geuren op te snuiven. Al die dagen bij Bertine had hij het zonder seks moeten stellen. Zelfs had hij geen enkele keer de hand aan zichzelf geslagen.
“Als je maar niet denkt dat mijn vader of ik die lui op je dak heeft gestuurd. Dat is echt onzin”.
Vreemde zaak. Arnold had de indruk, dat Jenny de waarheid sprak.
“Ik denk wat ik wil”.
“Zal ik je een beetje verwennen?”
“Dat is goed. Dan zet ik je wel een uur later buiten de deur”.

Op de veemarkt van een nabije stad kochten ze konijnen. Twee Vlaamse reuzen en een koppel zwart-witte beestjes. Alsmede een kistje winterwortelen.
Op de terugtocht namen ze een lifter mee. Het was een bleke jongen met een schooltas en weinig toekomstplannen. Hij zat op de achterbank, naast de konijnen. De luxe van de BMW ging langs hem heen. Hij zei: “Wat is een loopbaan eigenlijk helemaal? Het is achteraf beredeneren wat van dag tot dag toevallig is goed gegaan”.
Ze stopten bij Café Tramzicht voor een kop koffie. Ineens was de jongen weg. Ook de chef van het café was afwezig. Een knul zonder gezicht bediende hen.

Van huisdieren gaat een ontspannende werking uit. Mensen met katten, kanaries of konijnen leven langer dan zij die te beroerd zijn om een paar kamerplanten op tijd water te geven. Jenny en Arnold waren minstens een uur bezig met de levende have. De konijnen lieten zich gemakkelijk aanhalen. Hun roze neusjes wipten gestaag op en neer. Tenslotte lieten ze de dieren alleen. In huis stuurde de radio belangrijke mededelingen de ether in.
Drum. Samson. Leeuwenstein Stimorol, Debraline, Nurdi Nurdi voor nappa en suède.
Aan het draaien van muziek kwam de DJ nauwelijks toe. Hij kneep alle platen aan begin en einde af en leuterde volop met mensen die mochten bellen. Hiermee konden ze vijftig pop of een envelop winnen. Als ze wisten wie de drummer van Slade was, een band die zo beroerd was dat hij verboden moest worden.

In Filmhuis Provadja draaiden ze een oude film. Hierin speelde het Russische Staatstheater Dostojevski’s Misdaad en Straf. Alle decors hingen scheef en uit het lood. Het was grotesk als de werkelijkheid zelf. Voor Misdaad kon je Schuld lezen, voor Straf kwam het woord Boete in aanmerking. Want er is gedrag en verantwoordelijkheid, vergelding en het ondergaan ervan. Na afloop werd er gediscussieerd. Een man met een baardje riep dat je aan de film goed kon zien dat het begaan van misdaden onmiskenbaar een gevolg was van maatschappelijke omstandigheden. Armoede en gebrek aan perspectief waren de boosdoeners. Het klonk aannemelijk en je kon je er met gemak aan onttrekken. Aan de bar werd een verachtelijk pils getapt.
In het Filmhuis zat het progressieve deel van de jeugd bijeen. De toekomst had mooi kunnen worden na de bevrijdende jaren zestig. Maar ze liep vast in overtrokken verwachtingen en gebrek aan verantwoordelijkheidsbesef. Universiteiten propageerden studies over zoiets als de communistische economie. Daar kon Nederland nog wat van opsteken. Je kon net zo goed knakworst onderzoeken op intelligentie.
Arnold hield zich afzijdig. Hij stond aan de bar en dronk bier uit een flesje. Af en toe wierp hij een blik op Jenny die een gesprek voerde met een langharige dertiger over de wijze waarop de voorstelling was gefilmd.

De zondag ging voorbij in ledigheid. Arnold luisterde alleen om half vijf naar de uitslagen in het betaalde voetbal. Vooral het woord brilstand, een uitslag zonder doelpunten, sprak hem aan. Op uitnodiging van Pa Filarski reden ze tegen de avond naar Het Paradijs. Arnold zat achterin de 4-deurs Lancia. In de binnenspiegel ving hij een glimp op van zijn eigen gezicht. De butsen en korsten waren verminderd. Daaronder, diep verscholen onder het schedeldak handhaafde zich het wantrouwen.
De lounge was ontdaan van kerstbomen en aanverwante artikelen. De muziek was onveranderd slecht. Een tafeltje bleek gereserveerd. Het gezicht van Barry glom op een decadente manier.
“Ik had gedacht: we kunnen meteen iets eten”.
Een maaltijd is een eredienst aan het leven, of zou dit moeten zijn.
Houtblokken verdwenen in de open haard. De ober bracht een fles Chianti die natuurlijk gekeurd moest worden. Ze bestelden tournedos van de grill. Het bruine leven.
Bij het vuur stonden lage rieten stoelen. De bezoekers babbelden geanimeerd, de wijn fonkelde in glazen, vlammen likten aan het hout, een dennenappel sprong leuk omhoog vanwege ontploffende harsdruppels. Het was allemaal net iets te veel van het goede.
Arnold dronk met mate. Hij was op zijn hoede. Jenny had erop aangedrongen dat hij zou meekomen, maar hij had zich voorgenomen bij de eerste de beste vervelende opmerking op te stappen.

Het pak slaag boven Doublecross had hem in de opvatting gesterkt, dat hij het geld uit De Tsarina en het bed van Iris definitief mocht beschouwen als welverdiend bezit.
If you want it, here it is, come and get it.
Arnold verwarde moraliteit met feitelijkheid. Geen enkel pak slaag kon hem van eigendomsrecht voorzien. Nog een geluk, dat hem dit dilemma niet was voorgelegd op zijn examen voor de middelbare school.
“Ik heb gehoord dat je het de laatste tijd nogal voor je kiezen hebt gehad”.
Filarski trok aan zijn sigaret, een zwakke Tivoli met filter.
“Eerst het overlijden van dat meisje Iris. Daarna de inval in je huis door de politie en vervolgens een vechtpartij in de stad. En dan de kwestie met je vader nog”.
Je kon denken dat zijn gastheer dit alles opsomde om te laten blijken dat hij op de hoogte was. Het klonk Arnold in de oren als een gepresenteerde rekening.
Hij zegt niets over die teringmoffen.
“Je hebt alle reden om te denken dat ik je vijand ben. Maar dat ben ik niet”.
Uit de geluidsboxen van Het Paradijs lekte pianogeluiden van Pim Jacobs. Pim was een beschermeling van een beroemde tv presentator met het hoofd van een Deense dog. Jarenlang mocht deze welbespraakte Willem de beeldbuis vullen met geanimeerd gebabbel, bijgestaan door een goudvis in een glazen kom.
Filarski’s dikke vingers trommelden op de rand van zijn etensbord.

“Het wordt de hoogste tijd deze narigheid achter ons te laten. We hadden het al eens over je toekomst bij de Studio”.
Nog steeds zweeg Arnold. Het kwam hem voor of een bord kantinevoedsel werd opgediend. Hij behoefde alleen maar te kauwen en te slikken.
“Er komt een plek vrij. Je kunt meelopen met een ervaren vakman”.
Geen woord over investeren. Arnold was niet van plan er zelf over te beginnen. Misschien wist Barry al dat hij er vanaf had gezien.
“Dat is mooi. Dank u”.
Aan de toekomst had Arnold wekenlang niet gedacht.
“Je vader zit in Berlijn, nietwaar?”
Met jouw ex, de moeder van Jenny, mijn stiefmoeder, kortom: Birgit.
In Het Paradijs zong Tom Jones. Tom was een prima jongen van de gestampte pot, met een stem als een kachelpijp, van meet af vertrapt en veracht door de beatniks en de hippies.
“Om de verstandhouding tussen ons te normaliseren, wil ik je iets aanbieden. Als je wilt, mag je een weekje met Jenny naar Berlijn. Gewoon. Vakantie. Lekker uitwaaien. En een beetje kunst bekijken, want daar mag je wel een beetje aan werken. Ha! Ha! Denk er even over na. Ik hoor het wel”.
Pa Filarski reikte Arnold de rechterhand. Zijn Breitling weerkaatste het licht van de vele spotlichtjes, weggewerkt in de plafonds van het etablissement.
“Dan hebben we een afspraak”.
“Nee, een overeenkomst”.
De opgediende maaltijd was in de keuken al op de borden geschept. Plateservice heette zoiets. Erg feestelijk stond het niet.
Filarski stapte kort na het eten op. Hij had nog een afspraak in de hoofdstad.
Arnold keek de man na. Dat was nou Jenny’s vader. In zijn aanwezigheid was zij opgegroeid. Misschien hield ze zelfs van hem.
Misschien heeft hij Iris wel vermoord.
Zijn afkeer maakte geleidelijk plaats voor verdriet. Hij had wel even met zijn eigen vader willen praten. Gewoon in de Garage, omringd door de typische geluiden van een autobedrijf.

Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.