BLINDGANGER, Hoofdstuk XI

| Geen reacties

HOOFDSTUK XI

Op het erf van De Knevelaar stond hem een verrassing te wachten. Trudie.
Ze wilde dadelijk onder de splinternieuwe douche, bediend door een mengkraan. Deze leek welhaast afkomstig uit een ruimtevaartuig. Vanachter het melkglazen schot vertelde ze onderwijl over haar wederwaardigheden op de camping. Over het zingen van clubliederen bij het kampvuur, de bingo en de kegelbaan. En dan waren er sessies. Je zat met anderen in een kring en moest vertellen wat je diep van binnen voelde.
Een uurtje lekker zelfstandig schilderen of gewoon uit je neus pulken, was er niet bij. Iedereen moest hoe dan ook overal en altijd bij betrokken worden. Dit vond de leiding van het grootste belang.
“Je zou toch pas zaterdag terugkomen?”
“Ik heb een tekening achtergelaten”.
Haar stem reflecteerde vanzelfsprekendheid.
Als het je ergens niet aanstaat, nou dan vertrek je gewoon.
“Kan ik bij jou komen wonen?”
Arnold voelde zijn maag samentrekken. Elk antwoord leek verkeerd.
“De politie zal je weghalen. Dat weet je ook wel. Je bent pas zestien”.
Dit herinnerde hem eraan dat zijn eigen laatste verjaardag in stilte was gepasseerd.
“Heb je handdoeken?”
“Achter je rug”.
Hij liep naar de woonkamer. As morste van zijn sigaret op de planken vloer die nog gelakt moest worden. Heel wat anders dan wat je gewoonlijk bij jonge mensen op de vloer zag liggen. Vooral Berber, een grauwe hoogpolige kraamkamer voor vlooien, was in de mode. Knus en huiselijk. Aan echt arme mensen verkochten de winkels gevlochten rieten tegels. Huisstof bleef eronder liggen tot je er een trui van kon breien.
“Ik zie geen handdoeken”.
Trudie stond naakt in de woonkamer.
“Je hebt niet goed gekeken”.
“Mag ik ook een sigaret?”
“Pak een handdoek en trek iets aan. Wat moeten de buren denken?”
De meest nabije buren woonden op honderd meter afstand.
“Ik wil een sigaret. Schiet toch eens op!”
Bijna moest hij glimlachen. Zijn zus ging er vanuit dat ze overal met dwang en chantage haar zin kon opleggen.
“Eerst aankleden”.
“Godverdomme!”
Hij wierp haar een sigaret toe, vastbesloten zijn zus op een later tijdstip doortastender te corrigeren.
“Hebben ze je leren roken, daarginder op de Veluwe?”
Trudie legde haar spijkerbroek op de zitting van haar stoel. Nog steeds had ze geen handdoek gepakt of iets aangetrokken.
“Wil je met mij vrijen?”
Ergens had hij de vraag zien aankomen.
“Nee”.
“Ik wil het”.
“Maar het kan niet”.
“Waarom niet?”
“Omdat we broer en zus zijn”.
“Wat maakt dat uit?”
Het is inteelt, er komen debiele kinderen van.
“Kleed je aan of hoepel op”.

De volgende morgen aten ze aan de keukentafel. Trudie had haar best gedaan. Alle beschikbare benodigdheden waren neergezet. Brood en beleg, gekookte eieren, beschuit, een klein pakje hagelslag. De borden op placemats, mes en vork, papieren servet, jus d’orange en de onvermijdelijke melk.
“Ik zit voortaan hier”.
Arnold haalde zijn wenkbrauwen op. Hij besloot een antwoord uit te stellen.
“Ik mag hier dus niet wonen”.
Arnold haalde diep adem. Hij kende zijn zus langer dan vandaag. Er lag een aanval van drift op de loer.
“Maar wel af en toe logeren.”
“Mag dat?”
Het gevaar was afgewend.
“We zullen het vragen. Maar let goed op wat ik zeg. Af en toe. Je kunt niet steeds zomaar voor mijn neus staan”.
“Ga je met een meid wonen?”
“Vast wel”.
“Wie?”
“Bertine, Iris en Jenny”.
“Weten ze dat al?”
Arnold verslikte zich. Hij moest lachen en hoesten tegelijk.

Tegen het middaguur bracht hij Trudie weg. Niet naar de Veluwe, maar naar Huis De Zon. Hij dronk een kopje thee met het personeel en repareerde een stopcontact waarin al twee keer kortsluiting was ontstaan.
Weer thuis gekomen, zette hij de radio aan, een simpel toestel van plastic. Besluiteloos hing hij een uur in een stoel. Hij hoorde hoe de muziek werd weggedrukt door een reclame voor tabak. Pall Mall moest je hebben, Pall Mall Export. Reclame volgde naadloos op een maatschappijkritische song. Je kon het beschouwen als een veeg teken. Maar wie herkent beelden van de toekomst?
In het kantoor van de garage vind ik geen papieren uit Duitsland. Er komen Duitse wagens binnen, maar waar zijn de papieren?
Hij opende het venster om verse lucht binnen te laten en ontdekte een schoenprofiel in het geverfde kozijn.

Vroeg en verstijfd werd hij wakker. Zijn deken lag op de grond, naast het matras. Hij stond op, schoor zich en keek in de spiegel. In het huis heerste stilte. Bij het aanrecht dronk hij een halve liter melk. Het lege pak spoelde hij uit onder de kraan en was ermee verlegen omdat er nog geen vuilnisbak was aangeschaft. Het viel hem in, dat het bezit van een huis hem uiteindelijk weinig deed. Het veranderde zijn leven nauwelijks en zeker niet op een manier die hem diep van binnen raakte. Hij liep nog een ogenblik rond, zag de telefoon en tilde de hoorn van de haak. Verdomd, het apparaat werkte. Het werd hoog tijd zijn vader te bellen, hem met feiten en bevindingen te confronteren. Maar Pa Zwarthoed nam andermaal niet op en antwoordapparaten moesten nog uitgevonden worden. Hij sprong in de auto en reed naar de garage.

Arbeidsverdeling is een geweldige vinding, maar het leven van menigeen is ermee verworden tot sleur, eentonigheid, onderontwikkeling en kwetsbaarheid. Vooral jonge mensen zouden niet zo snel in het harnas van klok en kalender gehesen moeten worden. Het leven zou een mooie zoektocht moeten zijn, hooguit ingedeeld naar maanstanden en maandstonden. Om twee uur in de middag vond Arnold het wel genoeg. Hij vertrok naar de stad.
Hier liep een groep vrouwen met geblondeerde haren, gekleed in krappe shirts en zeer korte broekjes. Op de boezem prijkte de tekst Veronica blijft. De Nederlandse regering wilde het piratenschip uit de ether halen, desnoods met hulp van de marine. Tot dit niveau was de inzet van de Nederlandse Leeuw afgezakt: het bedreigen van een boot waarop muziek wordt afgespeeld. Zelfs hiervan zou het evenwel niet komen. Tijdens een storm liep het zendschip op het strand. De burgers moesten voortaan naar Hilversum III luisteren, een zender naar beproefd recept getekend door verzuiling. In haar zucht naar controle ging de Nederlandse overheid steeds meer gelijkenis vertonen met de vijand van het Oostblok.
Arnold nam de meisjes op. Zijn blik bleef iets langer rusten op de vitale plaatsen.
Je moet de shirts natspuiten en de meiden touwtje laten springen.
Een erectie diende zich aan, maar liet even snel weer verstek gaan.

Bij Wimpy kon je de hele dag eten. Er waren geen andere klanten. Je mocht je afvragen of dit een gezonde situatie was. De serveerster controleerde een bestellijst. De bar was onberispelijk schoon.
“Wat zie je bleek”.
Ze gaf hem een spiegeltje, de schat.
“Je hebt gelijk. Het leven is hard voor mij”.
Hij boog zich over de bar, lokte haar met zijn glimlach, las haar naamplaatje. Het was een geschenk van de werkgever.
“Antina”.
“Ja?”
“Bevalt het je hier nogal?”
“Dat gaat wel. Je moet toch wat”.
Het geven van aandacht is de sleutel om bij vrouwen succes te hebben.
“Maar je zou wel wat anders willen?”
“Waarom dan?”
Hij zag zichzelf opnieuw in de handspiegel. Waar was hij mee bezig? Moest Antina naar de vleesfabriek van Filarski worden gepraat? Wat was dit voor soort balorigheid?
“Binnen een half jaar wil ik voor mezelf beginnen. Dus..”
Ze zette een glas melk voor hem neer. Dit had ze kennelijk onthouden van een vorig bezoek. Een hardnekkig deuntje speelde door zijn hoofd.
Love the one you’re with. Love the one you’re with.
“Probeer je mij te versieren?”
De deur ging open. Een man in maatpak ging aan de bar ging iemand staan. Hij trommelde ongeduldig met een muntstuk op het blad. Arnold keek zijn kant uit.
“We zijn even bezig, ja”.
“Ik heb haast”.
“Dan moet je eerder komen”.
Het was een test. Als Antina bleef staan, dan deugde ze. Liep ze weg, dan was alles over en uit. Ze bleef staan.
“In ieder geval”.
Hij was door de onderbreking uit balans gebracht.
“Het lijkt me een feest om met jou te werken”.
Meer zat er voor het moment niet in. Het onheil dat hijzelf had opgeroepen, was afgewend. Het zweet stond op zijn rug.

Hij at. Een broodje warm vlees met tomaat en sla. Een tweede met oude kaas en komkommer. Nog een glas melk erbij. Tot slot een cola met ijswielen.
De maag is de thermometer van het humeur. Naarmate Arnold meer voedsel naar binnen werkte, voelde hij zich prettiger en lomer, meer bereid de wereld te nemen zoals deze zich aandient. Hij keek naar Antina en was het liefste een half uur blijven zitten om al haar bewegingen te volgen.
Zijn oog viel op de telefoon waarmee hij eerder had gebeld met de makelaar over het boerenhuis dat hij inmiddels het zijne mocht noemen. Hij stond op, wierp een muntstuk in het kastje en draaide een nummer. Aha!
Hij kwam meteen ter zake. Hij vroeg zijn vader niet eens hoe het ging of waar hij was.
“U kunt beter thuiskomen. Er zijn problemen”.
“Met die van de straat geplukte auto? Dat los ik wel op”.
Pa Zwarthoed was beter op de hoogte dan Arnold dacht.
“Dat ook, maar ik wil het over de boekhouding hebben”.
Aan de andere kant viel een gaatje van stilte.
“Bent u er nog? Ik zei dus boekhouding. Importwagens zonder papieren”.
“Niet door de telefoon, jongen. Ik ben vanavond thuis. Hoe gaat het met je?”
Arnold gooide de hoorn erop. Hij zag Anita kijken. Wonderlijk, hoe snel vrouwen kunnen switchen. Ze lachte met een andere klant en zag Arnold niet meer staan.
Zonder naar de rekening te vragen, legde hij een tientje neer en liep de zaak uit. De straat was nat, al scheen de zon. Hij wist niet beters te bedenken dan naar de garage terug te keren.

Tegen vijf uur arriveerde Pa Zwarthoed. Een goed gekozen moment, want het personeel mocht gewoonlijk om half zes naar huis. Zo kon de baas zich nog juist laten bijpraten. In de garage hing een dichte walm van uitlaatgassen.
De mannen groepten rond hun werkgever in de werkplaats. Het ging met tegenzin, er werd al gedacht aan een avondje lekker hangen voor de beeldbuis.
“Gaat het, mannen? Wil jij de deur even open zetten?”
Pa Zwarthoed liep rond, het personeel achter zich aantrekkend aan een onzichtbaar touw. Hij stelde korte vragen, deelde een paar papieren uit.
“Waarom is deze auto nog niet klaar?”
Er was dit en dat. Arnolds vader veegde alle argumenten weg met een handbeweging. “Zorg dat het ding er vandaag nog uit gaat. Gesnapt, vandaag!”
Hier stond een bedrijfsleider. Iemand die geen tegenspraak duldt. Geen werknemer zou het wagen voortijdig te vertrekken, al werd het half negen in de avond.
“In het kantoor?”
Pa Zwarthoed lachte. Orde op zaken stellen, was voor hem de normaalste zaak van de wereld. Toch liep hij mee.
“Zullen we zitten?”
Arnold nam het initiatief en was van plan het te houden.
“De boekhouding dus. Met name deze stapel”.
Hij haalde papieren uit de onderste lade van het bureau en kwakte die neer.
“Wat is ermee?”
Er is geknoeid. Er klopt niets van. Het komt over als incidenten, maar”.
“Zo, daar moet ik dan eens naar kijken”.
Het klonk naar uitstel en liegen.
“Mijn indruk is, dat hier auto’s van onduidelijke herkomst arriveren. De motor gaat eruit. Niet omdat er wat aan mankeert, maar omdat er een andere chassisbalk in wordt gelast. De balken komen van de sloop. Zit ik er ver naast?”
Hij keek zijn vader aan zonder hem echt te zien.
“Het heet omkatten en je kunt er de gevangenis voor indraaien.”
Een vader wordt ontmaskerd door zijn zoon.

Vanuit de werkplaats klonk muziek. Ben Cramer had een slappe hit met Veronica Vrij. Boven een kadaver hangt altijd een aasgier. Het was lastig om het gesprek weer op gang te brengen. Soms lijkt het of alleen in lichaamstaal de communicatie verder gaat.
Pa Zwarthoed keek weg. Hij veegde langs zijn gezicht.
“Potverdorie, Arnold”.
Er zijn momenten waarop je alles kunt zeggen tegen wie je wilt. Arnold snoof en kwam half overeind.
“Wie weten ervan, pap? Dit is van groot belang”.

De klok tikte naar zes uur. In de garage werd gebuffeld. De opdracht was duidelijk, net als de gevolgen wanneer gefaald werd. Reclame voor Javaanse Jongens, een gore shag, ging de ether in. De nieuwslezer begon aan de dagelijkse lijst met rampen.
“We moeten iets doen”.
We.
“Johan werkt bij hem thuis, niet hier”.
Johan, de chef. Johan, de meest brutale van het stel, de man met de gouden handjes.
“Onzin. Ik heb zelf gezien dat het gewoon hier gebeurt”.
Het leek even of Arnold de baas was. Zijn vader was het noorden kwijt.
“Stuur hem de laan uit”.
“Dat kan toch helemaal niet! Hij maakt me kapot!”
Arnold voelde die typische kilte opkomen wanneer je keihard moet beslissen.
Speciaal aan Johan begon hij steeds meer een hekel te krijgen.
“Geef iedereen morgenochtend vrijaf. Zeg dat het is, omdat ze hun best hebben gedaan, maakt niet uit. Wij gebruiken de tijd om bewijzen op te ruimen”.
“Moet ik een complete auto dumpen?”
Pa Zwarthoed doelde op de nette 4-deurs in de showroom. Hij wist dus weldegelijk hoe het zat.
“Wilt u de bak in voor een overjarige Opel? Weg met het ding! Bel de sloperij van de chassisbalken. Zij hebben er evengoed belang bij niet ontdekt te worden”.
“Je bezorgt mij een hartverzakking”.

Het werd een lange nacht. Vader en zoon blindeerden de ramen die je vanuit de straat kon zien. Lappen zwarte folie werken uitstekend. Ze sleepten met portieren en motorkappen, assen en versnellingsbakken. Het hielp geweldig dat Arnold de boekhouding al had uitgezeefd. Bij controle konden lacunes worden aangetroffen, maar geen harde bewijzen. Ze dronken zwarte koffie met een scheut cognac. De verdachte Opel werd met de hand naar buiten gerold.
Om half zeven in de ochtend arriveerde een vrachtwagen met kraan. De Opel werd op eigen kracht weggebracht. Drie kerels in overalls takelden de handel in de laadbak. Gesproken werd er nauwelijks. Pa Zwarthoed stond in de openstaande deur. Om zeven uur reed de vrachtwagen weg. Het dorp sliep nog grotendeels. De Zwarthoeden haalden de blindering weg, sloten af en gingen naar het ouderlijk huis. Hier wachtte de Rotterdamse Staander, een klok als een monument.

Harde muziek tetterde Arnold uit bed. Half twaalf in de morgen was het. De huishoudster was bezig in de woonkamer en werd bijgestaan door Trudie. De twee konden het prima vinden. Ze hadden er de radio bij aangezet.
Zonder te groeten smeerde Arnold een boterham en at deze staande bij de koelkast op. Drie lange teugen melk erachteraan en hij kon er weer tegen.
“Goedemorgen!” De huishoudster had hem ontdekt.
“Ja”.
Het voelde of hij in dit huis al een beetje te gast was.
“Blijf je eten vanmiddag? Ik heb paprika’s meegebracht. We gaan chili maken”.
Chili con carne. Wat mocht dat zijn? De aankondiging klonk als een voorstel tot het aanrichten van een bloedbad. Arnold was allerminst in de stemming.
“Geen tijd. Ik moet weg”.
Hij liep terug naar zijn kamer. Wat mee te nemen naar zijn nieuwe huis? Hij koos het schaalmodel van de bommenwerper en de bandrecorder. Van de zolder haalde hij een kartonnen doos voor de vele geluidstapes. Vervuld van ongerichte gedachten verliet hij de woning.

Hij leverde de spullen af in zijn eigen woning en reed meteen door naar de stad. Bij het naderen van de kanaalbrug voelde hij zijn ingewanden samentrekken. Stond daar een politiewagen? Het kostte hem moeite een angstaanval onder bedwang te krijgen.
Komt u even mee naar het Bureau. U begrijpt wel waar het over gaat.
Bij de brug stond geen politie maar een verkeersregelaar en de Kade toonde de gangbare rij autobussen. Aan de overzijde van het water lag een schip met betonplaten voor de bouw. De autoradio meldde dat de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Henry Kissinger onderhandelingen voerde met de leiders van Noord Vietnam. De gevechten in het verre land gingen intussen gewoon door.

Voor de vorm belde hij aan bij het oude huis van Iris. Het huis was doof. Als een dief schoot hij de steeg in. Iemand moest hebben opgeruimd, want hij behoefde nergens over heen te klimmen. Zelfs het vele glas was verdwenen. Arnold haalde diep adem, opende de achterdeur en begon de trappen te beklimmen. Het huis stonk onverminderd naar oude urine en verlatenheid. Geen enkel teken van menselijk leven bereikte zijn oor. Hij bereikte de derde etage. De deur van de woning stond op een kier.

Hier woonde niemand meer. Arnold voelde hoe het zweet op zijn rug stond. Minstens een minuut stond hij na te hijgen van de klim. Hij betrad de woning en wierp een blik uit het venster, naar die wirwar van rode pannendaken en de verre schoorsteenpijp van de vuilverbranding. Meubels en huishoudelijke spullen waren verdwenen. Keukendeurtjes in de keuken stonden open. Hij ging meteen door naar de achterkamer. Hier stond het frame van een bed. Het bed van Iris.
Ik heb nog geen bed in mijn nieuwe huis.
Met geweld wrikte hij de metalen delen van het bed uiteen. Het waren twee schotten op hoge poten. Hierop rustten de dragers, buizen van twee meter lengte. Het spiraal was rechthoekig en zwaar. Het was hem aanstonds duidelijk, dat voor transport van deze spullen hulp nodig was en een karretje achter een auto. Hij verliet de woning en kloste de trappen af.

“Hé, Gerben”. Gelukkig was hij thuis.
“Hoi. Binnen?”
“We gaan wat eten. En ik heb je machtige torso even nodig”.
Ze schoven binnen bij Visjan, een snackbar die je op afstand kon ruiken. Arnold keek in de bak met frituur.
Ik ben niet geschikt voor de garage. Ik ga wat anders doen.
Onderschat wordt hoe verstandige gedachten in verband staan met zoiets eenvoudigs als eten. Hieraan denken kan al voldoende zijn, want het brein wordt immers al geprogrammeerd op wat gaat komen. Mensen die slecht eten, belanden in een schijnwereld, een milde hel bovendien.
“Scholletje?”
“Neem jij maar. Voor mij een broodje garnalen”.
Het kon eraf. Arnold had een bankrekening geopend op naam van Gerben. Hierop had hij een fors bedrag gestort. Alleen, Gerben kon hier niet bij. Slechts Arnold zelf had toegang. Het systeem van de katvanger. In ruil kreeg Gerben elke maand de rente die het gestorte bedrag opleverde. Ingelegde gelden leverden aardig wat op.

Ze namen de tijd. Arnold had geen behoefte zich in de garage te laten zien. Vanuit de snackbar belde hij een om een bestelwagen te huren. Het was tamelijk vlakbij. Samen reden ze naar het huis van Iris en sjouwden de stalen delen de trappen af. Gerben was hier nooit geweest. Hij zei niets over de stank in het pand. Na de sjouwpartij nam hij afscheid. Het werd tijd voor zijn middagdutje. Afgekeurd voor alle arbeid kon hij elke middag even lekker rusten, een mooi vooruitzicht. Bevredigend was het allerminst.

Arnold reed de huurauto naar zijn huis. Vergeefs probeerde hij achteruit in de schuur te draaien. Wat hij ook probeerde, het mislukte gewoon. Het leek of de schuurdeur een elektromagnetisch schild bevatte. Hij gaf het op en deed de rest met de hand. Voorlopig belandden de delen van het bed bij een achtergelaten hooipers en een stapel kachelhout. Snel bracht hij de huurauto weer terug. De rest van de dag deed hij niets.

Om negen uur in de avond stapte hij De Pilaren binnen en groette het personeel. Bij binnenkomst in een keurig etablissement het personeel groeten, is een gewoonte die door Nederlanders dikwijls wordt verzaakt. Wij zijn een lomp volk.
Jenny zat aan een tafel bij het venster, met uitzicht op de ruïne van een voormalige kerk op een zeer groen grasveldje.
“Koffie?”
“Lekker”.
Ze zaten een minuut tegenover elkaar te zwijgen, goeddeels langs elkaar heenkijkend.
Arnold was kalm.
“Hoe gaat het met je huis?”
“Het is bewoonbaar. En dat gebeurt dan ook”.
Haar houding beviel hem in zekere zin. Jenny kon goed zonder hem en dit gegeven verschaft gelijkwaardigheid. Dat ook onverschilligheid of berekening redenen kunnen zijn om afstand te houden, is een andere zaak.
“Wat kijk je?”
“Je bent adembenemend”.
Ze smolt. Ze was een vrouw die hard kan zijn, gewend aan het doordrijven van haar wil. Eén enkel vriendelijk woord of gebaar toont ineens een heel andere vrouw.
“Dank je! Wat ben je hoffelijk vandaag”.
Hij schudde zijn hoofd, bijna onmerkbaar, alsof zijn gedachten alweer elders waren.
“Jenny, zullen wij eens wat zaken bespreken?”
De ober bracht koffie. Zijn hand zette de kopjes neer. Hij wisselde de asbak voor een schone en trok zich terug. Goede obers zijn mensen die handelen en tegelijk lucht zijn.
“Als je dat wilt. Goed”.
“We moeten elkaar kunnen vertrouwen”.
“Ja”.
“We kunnen nog stoppen”.
“Waarmee?”
“Met ons”.
“Nee”.
“Waarom niet?”
“Omdat”.
Ze wierp een blik uit het venster. Hij leek of bloed naar haar wangen steeg.
“Ik ben geen speelgoed”.
Het klonk, of ze hoer had willen zeggen. Ongemerkt nam ze het initiatief van hem over.
“Arnold, je bent ergens aan begonnen”.
Het was zijn beurt om een poosje zijn mond te houden. Waar hoorde je dergelijke geluiden nog? De mensen gaan maar relaties aan en verbreken die wanneer het niet meer bevalt. Dat Arnold hieraan zelf meedeed, vergat hij even. Daarbij kon je het uitleggen als een vorm van vergeving. Hij stond op, liep om de tafel en gaf Jenny een kus.
Ze bestelden een fles wijn en een plankje kaas. De ober kwam een kaars aansteken. De zaken moesten maar even wachten.
Elkaar vertrouwen. Natuurlijk. Nobele woorden, goede bedoelingen. Maar geen oplossing voor uiteenlopende belangen, vooringenomenheden, angsten of ontbrekende stukken uit puzzels.
Elke relatie begint met verlangen, passie en seks. Er is hooguit een vermoeden van gezamenlijke belangstellingsvelden. Pas later, veel later, komen waardering en inzicht. En daarmee de liefde. Soms.

Ze bleven anderhalf uur in De Pilaren. Het opzoeken van andere kroegen en daarmee het ingaan van nieuwe ronden in het aloude paringsritueel, kon vandaag worden overgeslagen.
“Zin om mijn huis te zien?”
Het was al te donker voor bezichtiging van de buitenkant. Tot een rondleiding binnen kwam het evenmin. Ze gingen meteen naar de slaapkamer. Het nieuwe matras was nog verpakt in plastic en lag op de vloer.
“Heb je geen echt bed?”
“Alles op z’n tijd”.
Ze namen kussens van het bankstel en kropen onder een laken. Het was warm, al dagen lang.
“Zeg Arnold, ik loop al de hele avond rond met een naar gevoel”.
Hij sloot zijn ogen. Moest het altijd weer ingewikkeld?
“Wat is er dan?”
“Heb je niets gehoord?”
“Waarover? Ik heb gewerkt”.
“Iris is dood”.
Wat kon je zeggen? Arnold was met stomheid geslagen. De menselijke geest is niet toegerust om het hele beeldmateriaal dat van iemand is opgeslagen, om te gooien naar het tegendeel: de dood.
“Ze schijnt een overdosis te hebben genomen”.

Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.